Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
10-4976 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding zwaarder beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 10 maart 2010 weergegeven belastbaarheid is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4976 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2010, 09/3805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 september 2010 heeft mr. Brouwer zich teruggetrokken als gemachtigde van appellant.

Appellant heeft bij schrijven van 18 januari 2011 stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als machinebediende/leerlooier, heeft zich ingaande 13 maart 1995 vanuit de situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met onder andere depressieve klachten en klachten van benauwdheid. Het Uwv heeft appellant na ommekomst van de wachttijd in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 11 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 16 februari 2009 waarbij de WAO-uitkering van appellant ingaande 17 april 2009 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant vanwege ‘spanningsklachten, overige angststoornis’ beperkt is in zijn belastbaarheid maar dat hij wel over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt. Het Uwv heeft appellant ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie omdat daarin vaker deadlines en productiepieken voorkomen en intensief wordt samengewerkt. Het Uwv heeft het verlies aan verdiencapaciteit op grond van een theoretische schatting berekend op 36,30%.

2.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Onder verwijzing naar een schrijven van psycholoog drs. C. Tunca van 4 december 2009 en stukken van Novadic & Kentron, netwerk voor verslavingszorg, heeft appellant betoogd dat het Uwv zijn beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren heeft miskend.

2.2. Het Uwv heeft de rechtbank onder toezending van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige bericht dat het rapport van Novadic & Kentron aanleiding heeft gegeven de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij te stellen. Door problemen met medicatie- en alcoholgebruik moeten bij appellant perioden van verminderde alertheid en verhoogd persoonlijk risico aangenomen worden. De bezwaararbeidsdeskundige, die eerder op verzoek van de rechtbank bij rapport van 15 februari 2010 enkele signaleringen van een toelichting heeft voorzien, heeft hierop beoordeeld of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies gehandhaafd konden worden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen reden gezien om een ander standpunt in te nemen betreffende de mate van arbeidsongeschiktheid, hij heeft de functies onverminderd voor appellant geschikt geacht.

2.3. Gelet op het nader standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellant heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten omdat de vaststelling van de medische belastbaarheid in de FML van 10 maart 2010 in rechte stand kan houden en de geselecteerde functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft daartoe gesteld dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van de ernst van zijn psychische beperkingen heeft appellant een medische verklaring van psychotherapeut dr. M. Can van 18 januari 2011 ingezonden, waarin is vermeld dat er bij appellant sprake is van een ‘depressieve stoornis, eenmalige episode, matig’ en een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.W. Lechner van 27 oktober 2010, opgemaakt in het kader van besluitvorming ingevolge de Ziektewet. Appellant acht de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt voor hem.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding zwaarder beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts op grond van zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij informatie van de GGZ en de behandelend huisarts is betrokken, heeft vastgesteld dat appellant in verband met spanningsklachten en een ‘overige angststoornis’ arbeidsbeperkingen ondervindt. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek geen aanwijzingen meer gevonden voor een depressief beeld of een behandeling in die richting. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van ontvangen informatie van Esens en Novadic & Kentron aanleiding gezien om in verband met medicatie- en alcoholgebruik aanvullende beperkingen te formuleren. De Raad is niet gebleken dat de beperkingen van appellant in de FML van 10 maart 2010 onjuist zijn vastgesteld. Uit de medische stukken in het dossier blijkt niet van andere of verdergaande beperkingen ten tijde in geding dan aangenomen door het Uwv. De in hoger beroep in geding gebrachte rapporten van psychotherapeut dr. Can van 18 januari 2011 en van bezwaarverzekeringsarts Lechner van 27 oktober 2010 schetsen weliswaar een ernstiger medisch beeld, maar hebben geen betrekking op de medische situatie van appellant ten tijde in geding. Uit het rapport van Lechner blijkt dat appellant zich op 9 maart 2010, ruim na de datum in geding, ziek heeft gemeld en dat de bezwaarverzekeringsarts bij onderzoek op 27 oktober 2010 de mening is toegedaan dat appellant voldoet aan de criteria voor de aanwezigheid van een vitale depressie maar een en ander heeft geen betrekking op de datum 17 april 2009.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 10 maart 2010 weergegeven belastbaarheid is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de arbeidskundige rapporten van 1 april 2009, 15 februari 2010 en 26 maart 2010.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK