Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09-5051 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling pensioen. Het inkomen van de echtgenote is zodanig dat de toeslag op het AOW-pensioen volledig wordt gekort. Slechts uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door zelfstandigen of door werknemers ‘los’ van de arbeidsovereenkomst in de privé-sfeer, worden niet als inkomen in de zin van het Inkomensbesluit beschouwd. Geen schending van artikel 26 IVBPR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5051 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 augustus 2009, 09/75 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 4 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van ‘t Hoff, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011. Appellant is verschenen in persoon. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1944, heeft bij formulier gedagtekend 30 juli 2008 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Appellant heeft daarbij inkomensoverzichten overgelegd waaruit, onder meer, blijkt dat zijn echtgenote ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) een uitkering ontvangt van bruto € 1090,66 per maand.

1.2. Bij besluit van 7 augustus 2008 is aan appellant een pensioen toegekend van € 682,51 bruto per maand. Dit is het maximale AOW-pensioen voor een gehuwde. Daarbij is aan appellant medegedeeld dat het inkomen van zijn echtgenote zodanig is dat de toeslag op het AOW-pensioen volledig wordt gekort.

2.1. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 3 december 2008 is een hoorzitting gehouden. Appellant heeft daar opgemerkt dat als hij van de betaalde premie een particuliere verzekering had afgesloten, de daaruit voortvloeiende uitkering géén inkomen voor de AOW zou zijn geweest. Het geld dat zijn echtgenote ontvangt ziet hij dan ook niet als een uitkering, maar als een uitbetaling van een verzekering.

2.2. Bij besluit van 12 december 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat volgens artikel 10, tweede lid, van de AOW, op de toeslag ingevolge de AOW in mindering wordt gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, vastgesteld met inachtneming van artikel 11 van de AOW. Uit laatstgenoemde bepaling vloeit voort dat inkomen in verband met arbeid in zijn geheel moet worden gekort op de toeslag bij de AOW. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 1 onder b, en 7, eerste lid, onder a, van het Inkomensbesluit AOW 1996 (hierna: Inkomensbesluit) dient een Waz-uitkering te worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. Geconcludeerd wordt dat het inkomen van de echtgenote van appellant volledig moet worden gekort op de toeslag bij de AOW.

3.1. Namens appellant is in beroep in essentie betoogd dat in artikel 7, eerste lid, onder a, van het Inkomensbesluit een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen een uitkering op grond van de Waz en een uitkering op grond van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank als volgt overwogen (waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen en voor verweerder de Svb):

“Uit de toelichting op artikel 7, onderdeel b van het Inkomensbesluit AOW blijkt dat slechts uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door zelfstandigen of door werknemers ‘los’ van de arbeidsovereenkomst in de privé-sfeer, niet als inkomen in de zin van dit besluit worden beschouwd.

Een inkomen uit een dergelijke (particuliere) verzekering heeft doorgaans wel enige relatie met verrichte arbeid, maar dient veeleer als inkomen uit vermogen te worden aangemerkt gelet op het vrijwillige karakter van de verzekering, zoals ook de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2005 (LJN: AU7757) heeft overwogen. Hoewel deze uitspraak ziet op het Inkomens- en samenloopbesluit ANW, geldt een en ander naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor het Inkomensbesluit AOW, aangezien het gaat om bepalingen die in hoofdzaak overeenkomen.

De Centrale Raad van Beroep heeft voorts in de uitspraak van 10 april 2008 (LJN BD0816) in het kader van de AOW geoordeeld dat het onderscheid tussen personen met inkomen uit of in verband met arbeid, en personen met een aanvullend pensioen of inkomen uit vermogen geen schending van artikel 26 IVBPR oplevert.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid. Verweerder heeft op goede gronden het thans besteden besluit genomen.”.

4. In hoger beroep zijn namens appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. De Svb heeft volstaan met verwijzing naar de beslissing op bezwaar en het in eerste aanleg gevoerde verweer.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad kan zich grotendeels vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 26 van het IVBPR merkt de Raad nog op dat inzake de (her)inrichting van de wet- en regelgeving op het terrein van de sociale verzekering/zekerheid aan de Staat in het algemeen een grote vrijheid toekomt. Dat is anders wanneer het onderscheid berust op een verdachte grond (bijvoorbeeld ras, geslacht, sexuele gerichtheid), maar van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake nu appellant enkel het in het Inkomensbesluit neergelegde onderscheid tussen inkomen uit of in verband met arbeid en inkomsten uit vermogen bestrijdt. Het voorgaande brengt mee dat de rechter deze keuze zal respecteren, tenzij hij van oordeel is dat de wetgever in redelijkheid niet tot die keuze had kunnen komen. De Raad heeft reeds eerder gemotiveerd geoordeeld dat van dat laatste bij het in het Inkomensbesluit gemaakte onderscheid tussen inkomsten uit of in verband met arbeid en inkomsten uit vermogen geen sprake is. Hetgeen door appellant in het onderhavige geding is aangevoerd heeft de Raad niet tot een andere zienswijze kunnen brengen.

5.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

5.4. Voor een proceskostenveroordeling van één van de partijen ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan T.L. de Vries als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 4 maart 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL