Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
08-7420 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld aan werknemer van appellant wegens ingetreden arbeidsongeschiktheid. In haar uitspraak van 18 september 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, die het niet werken van werknemer had toegeschreven aan zogenoemde situatieve arbeidsongeschiktheid, terecht heeft vastgesteld dat bij het einde van de wachttijd ingevolge de WAO geen sprake was beperkingen van werknemer die het gevolg waren van ziekte of gebrek. De rechtbank heeft de eerdere uitspraak niet onjuist samengevat. Het aanhalen van de uitspraak leidt in samenhang met hetgeen de rechtbank omtrent het ontbreken van de status van arbeidsgehandicapte heeft overwogen tot een genoegzaam gemotiveerd oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7420 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 december 2008, 08/246 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan het geding in hoger beroep heeft voorts als partij deelgenomen [naam werknemer], wonende te [woonplaats] (hierna: werknemer).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 17 september 2010 gereageerd op een door appellant ingezonden stuk.

Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld heeft namens werknemer mr. R.M.M.M. Schreuders, advocaat te Nieuwstadt, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. M. van Nederveen. Werknemer en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 8 februari 2008 ter uitvoering van de Ziektewet (ZW). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd van 30 oktober 2007, waarbij hij heeft bepaald dat werknemer in verband met zijn op 25 augustus 2007 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het Uwv is van mening dat geen sprake is van een situatie waarin werknemer aan de artikelen 29, 29a of 29b van de ZW een recht op ziekengeld kan ontlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in de wet een limitatieve opsomming is gegeven van de gevallen waarin een werknemer ondanks het bestaan van een dienstverband in aanmerking kan komen voor een ZW-uitkering en dat niet is gebleken dat één van de in de artikelen 29, 29a of 29b van de ZW genoemde situaties zich voordoet. Werknemer, aan wie eerder een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd omdat bij einde wachttijd geen sprake was van ziekte of gebrek, kan niet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.

3. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar zijn in bezwaar en beroep geformuleerde stellingen en zich voorts gekeerd tegen een overweging van de aangevallen uitspraak die hij innerlijk tegenstrijdig acht. Het Uwv en werknemer hebben zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Nu hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd een herhaling is van de stellingen die hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht en die door de rechtbank op goede gronden zijn verworpen, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank dat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld heeft de Raad onderschreven met zijn uitspraak van 28 juli 2010 (LJN BN2809).

4.2. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat sprake is van een tegenstrijdigheid in de overweging van de aangevallen uitspraak die een samenvatting is van een eerdere uitspraak van de rechtbank. In haar uitspraak van 18 september 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, die het niet werken van werknemer had toegeschreven aan zogenoemde situatieve arbeidsongeschiktheid, terecht heeft vastgesteld dat bij het einde van de wachttijd ingevolge de WAO geen sprake was beperkingen van werknemer die het gevolg waren van ziekte of gebrek. De rechtbank heeft de eerdere uitspraak niet onjuist samengevat. Het aanhalen van de uitspraak leidt in samenhang met hetgeen de rechtbank omtrent het ontbreken van de status van arbeidsgehandicapte heeft overwogen tot een genoegzaam gemotiveerd oordeel.

4.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

JL