Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
09-1723 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1723 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 maart 2009, 08/811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Krauth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

Na heropening van het onderzoek is de zaak opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2011, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Krauth en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 28 februari 2008 is namens het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 maart 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet, omdat hij op en na die datum niet ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

2. Bij faxbericht van 19 maart 2008 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2008.

3. Bij besluit van 15 april 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn van twee weken niet-ontvankelijk verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan een door de bezwaarverzekeringsarts op 15 april 2008 uitgebracht rapport. De conclusie van deze arts dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, achtte de rechtbank niet weerlegd met de door appellant overgelegde medische rapportage van 25 februari 2008 van de revalidatiearts J. Wagenaar, waarin wordt beschreven dat appellant last heeft van vergeetachtigheid en concentratiestoornissen. Gelet op hetgeen appellant daaromtrent ter zitting heeft verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat appellant in het geheel niet zou hebben begrepen welk belang er gemoeid was met de beslissing van 28 februari 2008. Appellant had gelet hierop maatregelen kunnen en moeten treffen om tijdig bezwaar in te (doen) dienen.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel. In dit verband merkt de Raad nog op dat voornoemde revalidatiearts in zijn rapport van 25 februari 2008 heeft vermeld dat appellant zelf geen beperkingen ervaart. De Raad wijst er verder nog op dat de verzekeringsarts naar aanleiding van het spreekuur op 27 februari 2008 in de uitgebrachte Rapportage Ziektewet heeft vermeld dat appellant afspraken gedurende de dagelijkse activiteiten goed kan onthouden en gebruik maakt van een agenda. Gelet op de beschikbare medische gegevens kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden gezegd dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM