Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-3239 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Met het bestreden besluit is met juistheid uitgegaan van de geschiktheid voor de maatmanarbeid. Nu de arbeidsdeskundige een voldoende beeld had van de aard en omvang van de in de maatmanarbeid optredende belasting, welke belasting van de zijde van appellant ook niet als zijnde onjuist is bestreden, en die arbeid ook elders op de arbeidsmarkt voorkomt, volgt de Raad het Uwv in het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat appellant ten tijde in geding geschikt was voor de maatgevende arbeid van schoonmaker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3239 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010, 09/1384

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.C. Vijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien hebben partijen gegevens van medische en arbeidskundige aard ingezonden en heeft appellant bericht over de resultaten van bij hem gedaan neuropsychologisch onderzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in de avond en nacht werkzaam geweest als schoonmaker op de luchthaven Schiphol. Hij heeft zich per 11 september 2006 ziek gemeld wegens psychische klachten. Voor het bereiken van het einde van de wettelijke wachttijd van 104 weken is het dienstverband van appellant geƫindigd.

1.2. Bij besluit van 9 september 2008 heeft het Uwv, beslissende op het verzoek van appellant om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), vastgesteld dat hij daarop, na het verstrijken van de wettelijke wachttijd van 104 weken, met ingang van 8 september geen recht heeft, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Deze beslissing is in de eerste plaats gegrond op de omstandigheid dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat wordt geacht om soortgelijke schoonmaakwerkzaamheden te verrichten als die verbonden waren aan zijn laatstelijk voor zijn uitval verrichte werk van schoonmaker op Schiphol. Voorts heeft het Uwv appellant eveneens geschikt geacht voor de werkzaamheden die verbonden zijn aan door de arbeidsdeskundige van het Uwv geselecteerde functies. Daarmee kan appellant een zodanig inkomen verwerven, dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 35%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat geen gegevens in het geding zijn gebracht die doen twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Deze is voldoende gemotiveerd en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek is voldoende zorgvuldig uitgevoerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de passendheid van de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag liggende functies voldoende is gemotiveerd. Daarop heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1.1. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat in de door de verzekeringsarts opgestelde FML zijn medische beperkingen zijn onderschat. Daartoe heeft appellant gewezen op de gegevens van zijn bedrijfsarts, op de inhoud van het in het kader van een deskundigenbericht uitgebrachte rapport van 10 april 2008 van de verzekeringsarts

W. Cramer, op de verkregen inlichtingen van zijn huisarts en op die van GGZ inGeest. Voorts heeft appellant verzocht om de resultaten van bij hem uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek bij de rechterlijke oordeelsvorming te betrekken. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte geen acht hebben geslagen op de verzekeringsgeneeskundige protocollen angststoornissen en depressieve stoornis die ten tijde in geding reeds golden. Met name hadden de verzekeringsartsen in samenspraak met de behandelende medici, aldus appellant, een medisch plan van aanpak moeten opstellen.

3.1.2. Voorts heeft appellant de geschiktheid van de geselecteerde functies bestreden. In een groot aantal functies wordt zijn beperking voor tilbelasting overschreden en in veel functies is lawaai een kenmerkende belasting. Daardoor wordt appellant angstig. Ten slotte heeft appellant ter zake aangevoerd dat door het nagenoeg alleen selecteren van voltijdse functies geen rekening is gehouden met de tijd die gemoeid is met het door hem te doorlopen medisch behandeltraject.

3.1.3. Met betrekking tot de berekening van het maatmaninkomen heeft appellant aangevoerd dat artikel 7a van het geldende Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten buiten toepassing moet blijven, omdat dit strijdt met artikel 1 van de Wet WIA. Artikel 6, vierde lid van dit Schattingsbesluit geeft geen ruimte om van artikel 1 van de Wet WIA af te wijken. Tevens is aangevoerd dat de berekening van het maatmaninkomen niet juist is, omdat ten onrechte de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering niet bij de berekening van het maatmaninkomen zijn betrokken.

3.2.1. Het Uwv heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden gezien om de medische grondslag van de schatting voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft bij rapport van 16 augustus 2010 een toelichting verstrekt op de medische oordeelsvorming, op het rapport van de verzekeringsarts Cramer en is ingegaan op de vraag of de van toepassing zijnde verzekeringsgeneeskundige protocollen tot een andere uitkomst hadden moeten leiden. Die vraag heeft hij gemotiveerd ontkennend beantwoord onder verwijzing naar de bij brief van 11 september 2008 ontvangen gegevens van Mentrum, waarin is vermeld dat bij appellant sprake is van een depressieve stemming, eenmalige episode, licht en een paniekstoornis zonder agorafobie. Voorts is de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 14 januari 2011 ingegaan op de nadere door appellant ingezonden gegevens omtrent zijn psychisch toestandsbeeld. Ook die gegevens, inhoudende dat naast de paniekstoornis zonder agorafobie de hoofddiagnose een somatisatiestoornis/somatoforme stoornis (NAO) is, hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven zijn oordeel te wijzigen. Hetzelfde geldt voor het op verzoek van appellant op 11 januari 2011 uitgevoerde onderzoek door de psycholoog C. van Kempen naar diens cognitieve vermogens. In haar rapport heeft zij geconcludeerd dat geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over het cognitief functioneren van appellant. Zij veronderstelt dat appellant ten tijde van haar onderzoek slechts tot een minimale inspanning in staat is, wat het cognitief functioneren belemmert. De haar ook voorgelegde vraag of in de FML uitgegaan is van de juiste beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren, kan volgens psycholoog Van Kempen op basis van haar onderzoek niet betrouwbaar worden beantwoord.

3.2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft het Uwv bij rapporten van de bezwaarbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst van 18 augustus 2010 en 17 januari 2011 de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies nader toegelicht, heeft erop gewezen dat appellant ten tijde in geding alleen medicatie voor zijn psychische klachten kreeg, welke behandeling aan het vervullen van deze functies niet in de weg staat, en heeft de berekening van het maatmaninkomen gecorrigeerd. Een en ander leidt evenwel volgens de bezwaararbeidsdeskundige er niet toe dat de mate van arbeidsongeschiktheid 35% of meer is, zodat naar zijn opvatting het bestreden besluit in stand kan blijven.

3.3. Ter zitting heeft appellant nog gewezen op de bij hem bestaande tinnitus en de gevolgen die dat voor hem heeft. Voorts heeft appellant aangevoerd dat bij de gecorrigeerde berekening van het maatmaninkomen nog immer niet de volledige vakantietoeslag en eindejaarsuitkering zijn betrokken. Het Uwv heeft ter zitting erkend dat mogelijkerwijs nog niet alle relevante bestanddelen in het maatmaninkomen zijn opgenomen, maar acht het niet aannemelijk dat dat tot een substantiƫle wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid zal leiden. Appellant heeft hierop gereageerd door te stellen dat het Uwv een juiste berekening hoort te maken van het maatmaninkomen en dat hij daar ook belang bij heeft, omdat de relevante gegevens daarvoor zich nu onder de gedingstukken bevinden en wellicht in de toekomst bij een volgende schatting niet meer.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. De arbeidsongeschiktheidsschatting berust blijkens het bestreden besluit zowel op de geschiktheid van appellant voor zijn werk als schoonmaker als ook op de geschiktheid voor een aantal voor hem geselecteerde functies. Zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 14 juni 1994, LJN ZB2991, heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Hiervan is in dit geval geen sprake. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zonder meer aannemelijk is dat arbeid met een gelijke belasting en beloning als die welke appellant als schoonmaker in de avond- en nachtdienst op Schiphol verrichtte, ten tijde hier van belang op de arbeidsmarkt voorkwam. Dienaangaande wijst de Raad ook op hetgeen daaromtrent in het rapport van 2 maart 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans is vermeld.

4.2.1. De vraag of bij het bestreden besluit met juistheid is uitgegaan van de geschiktheid voor de maatmanarbeid beantwoordt de Raad bevestigend.

4.2.2. Aan de beschikbare medische gegevens, waaronder die in hoger beroep zijn ingezonden, ontleent de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de betrokken verzekeringsartsen zich geen goed beeld hebben gevormd van de medische situatie van appellant, dat zij bepaalde relevante zaken zouden hebben gemist of overigens niet lege artis te werk zouden zijn gegaan. De Raad ziet dan ook geen reden om, gelijk is verzocht door appellant, hem te laten onderzoeken door een medisch deskundige. De Raad gaat derhalve uit van de juistheid van de arbeidsbeperkingen zoals die in de FML door de verzekeringsarts zijn weergegeven.

4.2.3. De omstandigheid dat een half jaar voor diens beoordeling de verzekeringsarts Cramer de beperkingen van appellant veel ernstiger inschatte leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft voor de Raad genoegzaam toegelicht waarom hieraan niet dat gewicht moet worden toegekend dat appellant daaraan gehecht wil zien.

4.2.4. De Raad vermag niet in te zien dat het volgen van de toepasselijke verzekeringsgeneeskundige protocollen door de betrokken verzekeringsartsen in het onderhavige geval tot een andere uitkomst met betrekking tot de medische oordeelsvorming zou hebben geleid dan thans het geval is. Daarbij heeft de Raad acht geslagen op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts Hulst daaromtrent heeft opgemerkt, de in hoger beroep van de zijde van appellant ingezonden medische gegevens en het daarop gegeven commentaar door de bezwaarverzekeringsarts, alsmede het verhandelde ter zitting.

4.2.5. Aan de gedingstukken, waaronder het rapport van 4 juli 2008 van de arbeidsdeskundige R.E. Orman, ontleent de Raad dat de werkzaamheden van appellant op Schiphol bestaan uit het schoonmaken van bagageruimte, roltrappen en banden. Met betrekking tot dit werk heeft de arbeidsdeskundige H. Drenth in zijn rapport van 8 september 2008 opgemerkt dat de taken aldaar rustig van aard zijn, dat conflicten niet voorkomen, dat er geen contact is met het publiek, dat sprake is van een vrij solistische functie en dat intensief samenwerken niet voorkomt. Alle taken zijn zeer voorspelbaar van aard, storingen komen vrijwel niet voor binnen dit werk. Deze arbeidsdeskundige acht appellant gelet op de in de FML weergegeven beperkingen zonder meer voor dit werk op Schiphol of elders geschikt. Nu de arbeidsdeskundige een voldoende beeld had van de aard en omvang van de in de maatmanarbeid optredende belasting, welke belasting van de zijde van appellant ook niet als zijnde onjuist is bestreden, en die arbeid ook elders op de arbeidsmarkt voorkomt, volgt de Raad het Uwv in het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat appellant ten tijde in geding geschikt was voor de maatgevende arbeid van schoonmaker. Reeds op deze grond houdt het bestreden besluit stand.

4.3.1. Hetgeen appellant in hoger beroep tegen (de berekening van) het maatmaninkomen heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking. De hoogte van het maatmaninkomen is immers niet van invloed op de geschiktheid voor de maatmanarbeid.

4.3.2. De ook in hoger beroep partijen verdeeld houdende vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn, behoeft verder geen bespreking, nu het bestreden besluit op grond van de geschiktheid voor de maatgevende arbeid al standhoudt.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

NW