Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
10-1927 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellante kan in zowel medisch als arbeidskundig opzicht in staat worden geacht de drie geduide functies te verrichten, waarmee wordt voldaan aan het vereiste van tenminste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies zoals eveneens omschreven in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1927 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 februari 2010, 08/4336 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 september 2010 heeft het Uwv gereageerd op een vraagstelling van de Raad en daarbij een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 17 september 2010 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M. Koelewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als inpakster, heeft zich op 23 augustus 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met klachten van de linkerhand (tintelingen van de vingers) en pijn in nek- en linker schouder. Zij heeft op 17 april 2008 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 2 juli 2008 is vastgesteld dat zij met ingang van 20 augustus 2008 niet in aanmerking komt voor uitkering, op de grond dat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat geen sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van ten minste 35 %. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2008 bij besluit van 27 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is - samengevat - van oordeel dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om aan de juistheid van het medisch oordeel over de belastbaarheid en de beperkingen van appellante te twijfelen. De rechtbank heeft voorts de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies passend geacht voor appellante, ook wat betreft het daarvoor vereiste opleidingsniveau en beheersing van de Nederlandse taal.

3. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2008 als juist heeft aangenomen. In de FML zijn naar haar mening zowel de psychische als fysieke beperkingen onderschat. Voorts is appellante van mening dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen en dat zij vanwege haar medicijngebruik beperkt is ten aanzien van het werken met machines. Ook heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de geduide functies passend heeft geacht. Appellante stelt dat haar belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden en dat door het Uwv de in de resultaat functiebelasting voorkomende signaleringen onvoldoende zijn toegelicht. Tot slot is appellante van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zowel wat betreft haar opleidingsniveau als haar beheersing van de Nederlandse taal in staat moet worden geacht de geduide functies, waarvan het opleidingsniveau op 2 gesteld is, te vervullen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.1. Appellante is naar aanleiding van haar WIA-aanvraag onderzocht door de voor het Uwv werkzame arts R. Bonneur. Deze heeft, in zijn rapport van 9 mei 2008, op basis van eigen onderzoek, bestudering van de in het dossier aanwezige medische informatie en na het opvragen van informatie van de behandelend sector geconcludeerd dat appellante beperkt is ten aanzien van belasting van nek en de niet-dominante linker schouder, welke beperkingen vertaald zijn in een FML van gelijke datum. Naar zijn opvatting voldoet appellante niet aan een of meer van de criteria om op verzekeringsgeneeskundige gronden volledig arbeidsongeschikt te worden geacht. Evenmin voldoet appellante aan de criteria, gesteld in de verzekeringsgeneeskundige standaard verminderde arbeidsduur, voor het aannemen van een urenbeperking.

4.1.2. In het kader van de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman het dossier en de recent verkregen informatie van vaatchirurg A.G. Krasznai en psychiater H.G.J. Hanegraaf bestudeerd. Op basis van de bevindingen bij dit onderzoek achtte de bezwaarverzekeringsarts geen argumenten aanwezig op basis waarvan de belastbaarheid van appellante per datum in geding zou moeten worden voorzien van aanvullende beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft wel enkele opmerkingen geplaatst ten aanzien van de invulmethodiek door de verzekereringsarts Bonneur, welke ertoe hebben geleid dat de FML door de bezwaarverzekeringsarts is aangepast.

4.1.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig te achten, noch om de juistheid van de conclusie daarvan in twijfel te trekken. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts beschikte over een veelheid aan medische informatie over appellante en dat hij, uitgaande van de door appellante in bezwaar aangevoerde gronden, gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij de door de primaire verzekeringsarts gestelde beperkingen an sich onderschrijft. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 februari 2009, overgelegd in beroep, nogmaals gemotiveerd waarom geen noodzaak aanwezig is tot het aannemen van een urenbeperking. Tot slot zijn in hoger beroep namens appellante geen objectief medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat appellante meer beperkt moet worden geacht dan waarvan het Uwv, gelet op de FML van 14 november 2008, is uitgegaan.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad, gelet op de notitie functiebelasting en de hierbij behorende bijlage 1 van 27 juni 2008 en de rapporten van de arbeidsdeskundigen van 2 juli 2008, 24 november 2008 en 17 september 2010 van oordeel dat de in de resultaat functiebelastingen van de geduide functies voorkomende signaleringen voldoende zijn toegelicht. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat appellante medisch gezien in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.

4.3. Voorts is de Raad van oordeel dat het opleidingsniveau van appellant terecht is vastgesteld op opleidingsniveau 2. Uit de Gebruikershandleiding bij het CBBS (Claimbeoordelings- en borgingssysteem) valt namelijk af te leiden dat een betrokkene bij opleidingsniveau 2 moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau. Ter zitting van de Raad heeft appellante haar schoolopleiding in Turkije toegelicht en aangegeven dat zij naast volledig basisonderwijs tevens 3 jaar voortgezet onderwijs heeft gevolgd en aansluitend het lyceum, studierichting textiel, heeft afgerond. Gezien het op het lyceum behaalde eindniveau en de gevolgde studierichting kan haar opleiding, naar de mening van appellante, vergeleken worden met een Nederlandse beroepsopleiding op MBO-niveau. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellantes opleidingsniveau door de arbeidsdeskundige niet te hoog is ingeschat.

4.4. Naar aanleiding van het betoog van appellante dat haar kennis van de Nederlandse taal te gebrekkig is om de geduide functies te kunnen vervullen overweegt de Raad onder verwijzing naar artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit, artikel 1 van de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden en zijn uitspraak van 6 juli 2009 (LJN BJ2117) dat appellante, ten aanzien van de functies waarvoor geen opleidingseis of alleen basisonderwijs als eis wordt gesteld, te weten de productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) geacht kan worden op dit punt over voldoende bekwaamheden te beschikken; uit de functiebeschrijvingen blijkt niet dat goede beheersing van de Nederlandse taal voor de desbetreffende functies een essentieel vereiste is.

4.5. Naar het oordeel van de Raad is, gelet op het vorenstaande, van belang de beantwoording van de vraag of appellante, rekening houdende met het niveau waarop zij de Nederlandse taal beheerst, in staat kan worden geacht om de werkzaamheden van de functie electronica monteur (SBC-code 267040), waarvoor als opleidingsniveau VMBO geldt, te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat geen eisen gesteld zijn ten aanzien van het Nederlands verstaan, spreken en lezen en evenmin wordt van appellante verwacht dat zij een opleiding dient te volgen. Voorts blijkt uit de functie-omschrijving niet dat een groot beroep wordt gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal. Tot slot merkt de Raad op dat het gaat om een eenvoudige productiefunctie waarbij veelvuldig dezelfde handelingen dienen te worden verricht.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellante in zowel medisch als arbeidskundig opzicht in staat kan worden geacht de drie geduide functies te verrichten, waarmee wordt voldaan aan het vereiste van tenminste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies zoals eveneens omschreven in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingbesluit. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

EK