Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
10-3607 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag kinderbijslag. Eiser heeft niet aan zijn onderhoudsplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3607 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 mei 2010, 10/569 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Zengin, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van de Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft op 14 juli 2009 kinderbijslag aangevraagd voor onder meer zijn zoon [T.], die in Turkije verblijft bij zijn ex-echtgenote. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft de Svb overwogen dat om in dit geval voor kinderbijslag in aanmerking te komen appellant een onderhoudsbijdrage dient te leveren van minimaal € 408,- per kwartaal. Appellant heeft aangegeven dat hij deze bijdrage niet kan leveren. Geconcludeerd wordt dat voor [T.] met ingang van het derde kwartaal van 2008 geen recht bestaat op kinderbijslag.

2.1. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij [T.] wel in voldoende mate onderhoudt. Appellant stuurt elke maand geld naar Turkije voor [T.]. Verder heeft hij ervoor gezorgd dat [T.] verzekerd is tegen ziektekosten en betaalt hij zorgpremie voor zijn zoon.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 11 december 2009, hierna: bestreden besluit, heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat appellant het gestelde onderhoud van zijn zoon niet met betaalbewijzen heeft aangetoond. De bewijzen die zijn opgestuurd hebben geen betrekking op de in geding zijnde kwartalen (het derde kwartaal van 2008 tot en met het tweede kwartaal van 2009). Het betoog van appellant dat hij onvoldoende inkomsten heeft om de onderhoudsbijdrage te kunnen betalen kan er niet toe leiden dat in strijd met de wet kinderbijslag wordt toegekend.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant en voor verweerder de Svb):

“De rechtbank overweegt dat voor een verzekerde als eiser recht op kinderbijslag bestaat indien hij kan aantonen dat hij [T.] in belangrijke mate heeft onderhouden. Daartoe dient hij op een voor verweerder eenvoudig te controleren wijze, door middel van internationale postwissels of bankoverschrijvingen ten name van de persoon die [T.] verzorgt of van [T.] zelf, aan te tonen dat hij heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.

Eiser heeft niet aan deze vereisten voldaan. Hij heeft immers niet aangetoond dat hij met ingang van 1 juli 2008 een bedrag van tenminste € 405,-- per kwartaal heeft overgemaakt aan zijn ex-echtgenote/de verzorger voor het onderhoud van [T.].

Niet in geschil is dat de door eiser in bezwaar overgelegde stukken geen betrekking hebben op de relevante periode. Deze stukken tonen bovendien niet aan dat hij aan zijn onderhoudsplicht heeft voldaan.

Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij voor de relevante periode geen onderhoudsbijdrage voor [T.] heeft betaald en deze niet betaalt, omdat hij financieel hiertoe niet in staat is en vanwege dezelfde reden ook geen alimentatiebijdrage voor [T.] levert.”.

4.1. In hoger beroep hebben partijen in essentie hun eerder ingenomen stellingen herhaald.

4.2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.3. De Raad kan zich geheel vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen door en namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het oordeel neergelegd in de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

4.4. Voor een proceskostenveroordeling van één van de partijen ziet de Raad geen grond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2010 ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 11 maart 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM