Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
10-1458 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om compensatie van het eigen risico voor het jaar 2008 ingevolge de Zvw, omdat appellant niet voldoet aan de ingevolge de Zvw geldende voorwaarden om de compensatie eigen risico te ontvangen. Gelet op de afweging door de formele wetgever ziet de Raad niet in dat de minister niet tot de ministeriële regeling en de daarbij behorende Bijlage 4 heeft kunnen komen. Rechtbankuitspraak wordt vernietigd wegens strijd met artikel 8:57 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/168
RZA 2011/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1458 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2010, 09/1973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Centraal Administratiekantoor B.V. (hierna: CAK).

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft bij CAK een aanvraag ingediend om compensatie van het eigen risico voor het jaar 2008, als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

1.3. CAK heeft bij besluit van 18 maart 2009 de aanvraag van appellant afgewezen. CAK heeft daartoe overwogen dat appellant niet voldoet aan de ingevolge de Zvw geldende voorwaarden om de compensatie eigen risico te ontvangen.

1.4. Bij besluit van 8 mei 2009 heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.5. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door een sportongeval sinds 1969 rolstoelgebonden is. De regeling van de compensatie eigen risico is bedoeld voor chronisch zieken en gehandicapten. Het enkele feit dat hij geen medicijnen gebruikt kan niet tot gevolg hebben dat hij geen compensatie ontvangt.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de memorie van toelichting op de wijziging van de Zvw overwogen dat de afbakening van de groep chronisch zieken en gehandicapten met behulp van het medicijngebruik, een bewuste keuze van de wetgever is geweest waarin zij niet treedt.

2.2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. De Raad stelt ambtshalve vast dat CAK aan de rechtbank nog een verweerschrift en nadere stukken heeft toegezonden nadat appellant toestemming had gegeven om het houden van een zitting achterwege te laten. Vervolgens heeft de rechtbank appellant niet opnieuw om toestemming gevraagd en zijn partijen evenmin uitgenodigd voor een behandeling van het geding ter zitting van de rechtbank. De Raad is van oordeel dat deze behandeling van het geding in strijd is met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit vaste rechtspraak van de Raad, blijkend uit bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juli 2005, LJN AU0202, vloeit voort dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisneming van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Appellant is door de handelwijze van de rechtbank in dit geding niet in de gelegenheid geweest om te reageren op het (nieuwe) verweerschrift en de nadere stukken. De Raad verbindt daaraan het gevolg dat de aangevallen wegens strijd met artikel 8:57 van de Awb dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad vervolgens beoordelen of het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2009 al dan niet gegrond dient te worden verklaard.

3.3. In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt hieraan het volgende toe. In de memorie van toelichting op de wijziging van de Zvw, waarbij onder meer artikel 118a Zvw is toegevoegd, is aangegeven dat er geen bruikbare definitie is van chronisch zieken en gehandicapten en dat, gelet op de intentie van het Coalitieakkoord, de term “ verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten” wordt gebruikt (TK, 2006-2007, 31 094, nr. 3). Er zijn verschillende mogelijkheden nagegaan om de te compenseren groep verzekerden op voor CAK uitvoerbare wijze af te bakenen. Daarbij is met name van belang geacht een onderscheid tot stand te brengen tussen verzekerden met meerjarige zorgkosten en verzekerden met incidentele hoge zorgkosten. In het besef dat sprake is van een suboptimale oplossing, en om alvast zoveel mogelijk aan te sluiten bij de beoogde structurele oplossing, is ervoor gekozen verzekerden die in 2006 en 2007 op grond van hun geneesmiddelengebruik zijn ingedeeld in een farmaceutische kostengroep in het jaar 2008 als verzekerden met meerjarige, vermijdbare zorgkosten te beschouwen. Ten slotte is aangegeven dat mocht in latere jaren een beter dekkende, en bovendien voor het CAK uitvoerbare, definitie van het begrip “chronisch zieken en gehandicapten” ter beschikking komen, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nieuwe groepen zullen worden aangewezen. Gelet op deze afweging door de formele wetgever ziet de Raad niet in dat de minister niet tot de ministeriële regeling en de daarbij behorende Bijlage 4 heeft kunnen komen. Het voorgaande leidt de Raad tot conclusie dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) J. de Jong.

IJ