Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
10-297 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Periode van 26 oktober 2006 tot 1 februari 2007: De Raad is van oordeel dat hetgeen [E.] op 8 november 2006 heeft verklaard geen steun bieden voor het standpunt van het College dat betrokkene vóór 8 november 2006 niet op het adres [adres 1] woonachtig was. De enkele inschrijving in de GBA van [E.] op dit adres acht de Raad hiervoor onvoldoende. Vernietiging uitspraak. Periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007: Betrokkene leefde niet duurzaam gescheiden maar als een gezin. Betrokkene had niet als zelfstandig subject van bijstand recht op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Aangezien betrokkene geen mededeling heeft gedaan dat hij niet duurzaam gescheiden leefde van [H.], heeft hij de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Intrekking bijstand over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007. Nieuw besluit op bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2007 te nemen voor zover dit besluit de terugvordering van de kosten van bijstand van betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/297 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2009, 09/2485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Hemert heeft bij fax van 24 januari 2011 de Raad bericht dat betrokkene is overleden en de Raad laten weten dat hij het geding namens appellanten wenst voort te zetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Groenewegen, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving sinds 4 januari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene heeft bij het College opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Betrokkene was ten tijde van belang van tafel en bed gescheiden van [H.]. [H.] stond ten tijde van belang ingeschreven op het adres [adres 2] te [naam gemeente]. Uit de relatie van betrokkene met [H.] is een kind geboren.

1.2. Naar aanleiding van informatie van de Dienst Bouwen en Wonen dat sprake was van onrechtmatige bewoning op het adres [adres 1] is door een medewerker van deze dienst en medewerkers van de Dienst Sociale Zaken een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In het kader van dit onderzoek is onder meer op 1 februari 2007 een huisbezoek afgelegd op het adres van [H.], zijn verklaringen afgelegd door betrokkene en [H.] alsmede door de overbuurvrouw van betrokkene, wonende op het adres [adres 3].

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 22 februari 2007.

1.3. Uit de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) blijkt dat in de periode van 23 oktober 2006 tot 22 februari 2007 tevens [E.] ingeschreven heeft gestaan op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Voorts blijkt uit een brief van 12 april 2007 van een medewerker van Stichting Portaal te [naam gemeente] (hierna: Portaal) dat door [E.] rond 8 november 2006 een urgentieverklaring is aangevraagd om haar woning aan de [adres 1] te kunnen verlaten. [E.] zou in een gesprek met een woonadviseur van portaal hebben meegedeeld dat de woning aan haar wordt verhuurd en dat zij aan deze woning is gekomen via een advertentie in een buitenlandse krant.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 26 juli 2007 de bijstand van betrokkene over de periode van 26 oktober 2006 tot en met 28 februari 2007 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van betrokkene terug te vorderen.

1.5. Bij besluit van 10 maart 2009 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad begrijpt het besluit van 10 maart 2009, gelet op hetgeen door de gemachtigde van het College ter zitting hieromtrent nader is toegelicht, aldus dat aan dit besluit ten grondslag is gelegd dat betrokkene over de periode van 26 oktober 2006 tot 1 februari 2007 onvoldoende inlichtingen over zijn woonsituatie heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld en dat betrokkene over de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.], waarvan hij geen melding heeft gemaakt. Vanwege de gezamenlijke huishouding is betrokkene niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat hij over de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en het terug te vorderen bedrag dient te worden beperkt tot het verschil tussen de gehuwdennorm en de som van twee alleenstaande-normen.

4.2. De periode van 26 oktober 2006 tot 1 februari 2007

4.2.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2.2. Appellanten hebben samengevat het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft de wettelijke inlichtingenverplichting niet geschonden. Hij woonde immers wel in zijn huis. De hem onbekende [E.] heeft zich enkel voorgedaan als onderhuurster van zijn woning om via een urgentieverklaring een woning in de sociale huursector te bemachtigen.

4.2.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat betrokkene in de periode van

8 november 2006 tot 1 februari 2007 niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. De Raad acht in dat kader in het bijzonder van belang hetgeen door [E.] op 8 november 2006 tegenover een medewerker van Portaal is verklaard omtrent de aan haar onderverhuurde woning aan het adres [adres 1]. Deze verklaring wordt voorts ondersteund door haar inschrijving in de GBA op dit adres in de periode van 23 oktober 2006 tot 22 februari 2007, alsmede door hetgeen de overbuurvrouw van betrokkene heeft verklaard omtrent de woonsituatie op het adres [adres 1]. Gelet hierop acht de Raad niet aannemelijk dat [E.] voor betrokkene onbekend was en in werkelijkheid niet op zijn adres woonachtig was, zoals betrokkene heeft betoogd.

4.2.4. Het voorgaande betekent dat betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot 1 februari 2007 niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting ter zake van zijn feitelijke woonsituatie, zodat het recht op bijstand van betrokkene over deze periode niet is vast te stellen.

4.2.5. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat de onderzoeksgegevens met betrekking tot de periode vóór 8 november 2006 onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat de woonsituatie van betrokkene onduidelijk is. De Raad is van oordeel dat hetgeen [E.] op 8 november 2006 heeft verklaard tegenover de medewerker van Portaal en de door haar overgelegde krantenadvertentie, geen steun bieden voor het standpunt van het College dat betrokkene vóór 8 november 2006 niet op het adres [adres 1] woonachtig was. De enkele inschrijving in de GBA van [E.] op dit adres acht de Raad hiervoor onvoldoende.

4.2.6. Uit hetgeen onder 4.2.5 is overwogen volgt dat het besluit van 10 maart 2009 voor zover het de intrekking van de bijstand over de periode van 26 oktober 2006 tot 8 november 2006 betreft een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 maart 2009 gegrond verklaren en dat besluit in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 26 juli 2007 te herroepen voor zover daarbij de bijstand van betrokkene over de periode van 26 oktober 2006 tot 8 november 2006 is ingetrokken, nu dat besluit in zoverre op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust als het besluit van 10 maart 2009.

4.3. De periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007

4.3.1. Vaststaat dat betrokkene en [H.] ten tijde hier in geding met elkaar waren gehuwd, nu zij slechts waren gescheiden van tafel en bed en hun huwelijk niet was ontbonden.

4.3.2. Door het recht op bijstand van betrokkene te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding, heeft het College een onjuiste maatstaf aangelegd. Het College had moeten beoordelen of betrokkene ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van [H.] en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. Dit betekent dat het besluit van 10 maart 2009 ook voor zover het de intrekking van de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 betreft, voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3.3. De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van dit vernietigde gedeelte van het besluit van 10 maart 2009 in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.3.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3.5. De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek van 1 februari 2007, zoals neergelegd in een door een medewerker van de dienst Sociale Zaken opgemaakt verslag hieromtrent, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat ten tijde hier van belang niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. Uit dit verslag blijkt dat betrokkene tijdens het huisbezoek in de woning van [H.] is aangetroffen, dat hij een eigen sleutel van deze woning had en voorts dat tijdens het huisbezoek een grote hoeveelheid persoonlijke eigendommen, waaronder voor hem bestemde post, medicijnen en kleding, in alle vertrekken van het huis zijn aangetroffen.

Voorzover betrokkene van opvatting is dat hij ook in de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 in zijn eigen huis woonde en duurzaam gescheiden leefde, heeft hij dit op geen enkele wijze onderbouwd.

4.3.6. Op grond van hetgeen onder 4.3.5 is overwogen, is naar het oordeel van de Raad aannemelijk dat betrokkene in de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 niet duurzaam gescheiden leefde van [H.]. Dit betekent dat betrokkene en [H.] met het tot hun last komende kind, ten tijde hier van belang als een gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB moesten worden beschouwd en dat betrokkene niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Aangezien betrokkene geen mededeling heeft gedaan dat hij niet duurzaam gescheiden leefde van [H.], heeft hij de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2.4 en 4.3.6 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 in te trekken. De wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt is door betrokkene niet bestreden.

5. Terugvordering

5.1. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de aan betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 verleende bijstand terug te vorderen. Ten aanzien van de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat deze verder buiten bespreking kan blijven. Nu de intrekking van de bijstand over de periode van 26 oktober 2006 tot 8 november 2006 echter niet in stand kan blijven, zal het besluit van 10 maart 2009 voor zover het betrekking heeft op de terugvordering geheel vernietigd worden, omdat dat onderdeel van het besluit ondeelbaar is.

5.2. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 maart 2009, voor zover het de terugvordering betreft, niet in stand gelaten worden en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe wordt overwogen dat uit de gedingstukken het bedrag van de kosten van de over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 aan betrokkene verleende bijstand niet kan worden opgemaakt en het op de weg van het College ligt om het bedrag van die kosten te berekenen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen een nieuw besluit op bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2007 te nemen voor zover dit besluit de terugvordering van de kosten van bijstand van betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 betreft. Bij deze berekening dient het College, zoals reeds in het besluit van 10 maart 2009 is vastgesteld, rekening te houden met het feit dat op betrokkene vanaf 1 februari 2007 de norm voor gehuwden van toepassing is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 10 maart 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD