Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
10-3910 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad overweegt dat het door Eland verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, dienen voor appellant in medisch opzicht als geschikt te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3910 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Tsjechië (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2010, 07/3347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij schrijven van 5 januari 2011 stukken in het geding gebracht, waarop door het Uwv onder toezending van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011. Namens appellant is verschenen mr. Boon, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.A. Duijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als tandtechnieker, is op 28 september 1998 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant na afloop van de wachttijd in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 12 september 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 maart 2007, waarbij de WAO-uitkering van appellant ingaande 22 mei 2007 is herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant vanwege een aanpassingsstoornis beperkt is in zijn belastbaarheid en over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt. Het Uwv heeft het verlies aan verdiencapaciteit op grond van een theoretische schatting berekend op 22,98%.

2.1. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming zenuwarts/psychiater W. Eland geraadpleegd, die op 1 september 2008 en 30 januari 2009 heeft gerapporteerd. Eland heeft de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor appellant vastgestelde beperkingen adequaat geacht. Opgevraagde informatie van de behandelend psychiater M. Konings en psychiater-psychotherapeut J.P.M. Gerards evenals de reactie van de gemachtigde van appellant op zijn rapport hebben de deskundige geen aanleiding gegeven zijn oordeel te herzien. Eland heeft toegelicht waarom hij het door hem in zijn rapport beschreven gedrag van appellant - namelijk dat appellant af en toe het woord richt tot een niet aanwezige persoon waarvan hij zegt dat het zijn overleden moeder is - niet duidt als psychotisch. De deskundige heeft dat gedrag niet kunnen plaatsen in het geheel van de door hem gedane bevindingen. Eland heeft de voor appellant geselecteerde functies samensteller metaalwaren en productiemedewerker industrie ongeschikt geacht vanwege gedwongen tempo door samenwerking binnen een team. Ten aanzien van de functie van inpakker heeft Eland opgemerkt dat hij deze functie ongeschikt acht voor appellant indien daarin in een bepaald tijdsbestek in een hoog tempo ingepakt moet worden. Het werken volgens normtijden wordt door hem mogelijk geacht.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft reden gezien de FML bij te stellen. Bij aspect 1.9.8 (handelingstempo) is als toelichting toegevoegd “werken volgens de normtijden is wel toegestaan; werken in hoog tempo is beperkt, zeker wanneer dat langere tijd aaneen volgehouden moet worden”. De bezwaararbeidsdeskundige heeft nader arbeidskundig onderzoek verricht. Van de vijf voor appellant geselecteerde sbc-codes kunnen er naar zijn mening slechts twee gehandhaafd blijven voor de schatting. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) daarop opnieuw geraadpleegd om na te gaan of binnen de overige drie gebruikte sbc-codes functies bij te duiden zijn die, anders dan de eerder door Eland niet geschikt bevonden functies, berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant. Dit bleek mogelijk binnen de sbc-code 264140 ‘samensteller metaalwaren’ en de sbc-code 111180 ‘productiemedewerker industrie (samenstellen van producten)’. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 29,65%. Het Uwv heeft bij gewijzigd besluit op bezwaar van 31 maart 2009 (hierna: bestreden besluit 2) besluit 1 ingetrokken, het besluit van 23 maart 2007 herroepen en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingaande 22 mei 2007 vastgesteld wordt naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

2.3. Appellant heeft zich niet kunnen verenigen met bestreden besluit 2. Appellant heeft betoogd dat zijn beperkingen nog immer niet juist zijn vastgesteld en dat hij de voor hem geselecteerde functies niet kan vervullen.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische component van de schatting doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van psychiater/zenuwarts Eland. De rechtbank heeft in het standpunt van psychiater Gerards geen argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van Eland. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Gerards, ondanks een verzoek daartoe, niet is ingegaan op de vraag van de deskundige waarom hij appellant volledig arbeidsongeschikt acht. De rechtbank heeft voorts als haar oordeel uitgesproken dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de conclusies van Eland heeft overgenomen. Naar de mening van appellant volgen die conclusies niet uit de bevindingen bij onderzoek door Eland. Appellant heeft aangevoerd dat uitgaande van de constatering door Eland dat bij hem sprake is van een algehele emotionele ontregeling met klachten van prikkelbaarheid, gejaagdheid, concentratieverlies en herbelevingen niet valt te verklaren waarom Eland hem geschikt acht werkzaamheden te verrichten. Appellant heeft betoogd dat zijn belastbaarheid te optimistisch is ingeschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een verklaring van zijn Tsjechische behandelaar, psychiater dr. H. Hornochova. Appellant wijst erop dat Hornochova het standpunt van psychiater Gerards deelt dat er bij hem sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Deze laatste verschijnselen zijn naar de mening van appellant ten onrechte buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van zijn belastbaarheid. Appellant acht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt voor hem.

3.2. Het Uwv heeft onder toezending van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige gereageerd op de stellingen van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 12 januari 2011 toegelicht de enkele mededeling dat appellant dode mensen ziet of met ze praat niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van psychotische verschijnselen, daarvoor is meer onderbouwing nodig. De bezwaarverzekeringsarts heeft als haar opvatting gegeven dat Eland gedegen onderzoek heeft verricht en gemotiveerd heeft uiteengezet hoe hij tot zijn conclusie gekomen is dat er geen sprake is van psychotische verschijnselen. Zij heeft verder opgemerkt dat de onderzoeksbevindingen van Hornochova in grote lijn overeenkomen met die van Eland. Er bestaat naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts geen reden om meer waarde toe te kennen aan de verklaring van Hornochova, mede omdat Hornochova in haar verklaring aangegeven heeft dat de communicatie met appellant door een taalbarrière moeilijk verliep. Bij rapport van 13 januari 2011 is door de bezwaararbeidsdeskundige ingegaan op de beroepsgronden van appellant tegen de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen betreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door Eland verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat Eland de bevindingen van psychiater Gerards heeft meegewogen en daarin geen aanleiding heeft gezien zijn standpunt te herzien. In hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad evenmin argumenten om af te wijken van het oordeel van de deskundige. De Raad onderschrijft de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts vermeld in haar rapport van 12 januari 2011. De Raad voegt daar aan toe dat Hornochova in haar rapport niet voldoende inzichtelijk en overtuigend heeft onderbouwd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat er bij appellant sprake is van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken.

4.3. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 september 2007, 30 maart 2009, 20 mei 2009 en 13 januari 2011. In deze rapporten wordt naar het oordeel van de Raad voorts genoegzaam toegelicht dat de te verrichten werkzaamheden niet complex zijn en geen intensieve concentratie vergen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

EK