Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
09-5349 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdragen voor aan appellante geleverde thuiszorg over 2005. De Raad is van oordeel dat in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag wordt gevonden voor het niet opleggen, matigen of kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen als de onderhavige. Geen sprake van een bijzonder geval waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard, zoals het bepaalde in het Bijdragebesluit zorg, in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2011/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5349 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 augustus 2009, 08/8230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

VGZ Zorgverzekeraar nv, gevestigd te Nijmegen (hierna: VGZ)

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

VGZ heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 januari 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van op of omstreeks 25 juni 2005 heeft het Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK) namens VGZ de maximale eigen bijdrage van appellante voor zorg zonder verblijf voor het jaar 2005 voorlopig vastgesteld op € 16,20 per periode van vier weken.

1.2. Bij facturen van 4 juli 2005, 1 augustus 2005, 29 augustus 2005, 16 september 2005, 24 oktober 2005, 14 november 2005, 19 december 2005, 9 januari 2006 en 13 februari 2006 heeft het CAK namens VGZ de eigen bijdragen voor aan appellante geleverde thuiszorg over het jaar 2005 vastgesteld met inachtneming van het bij het besluit van op of omstreeks 25 juni 2005 voorlopig vastgestelde maximum. Per periode van vier weken is appellante voor geleverde thuiszorg een bedrag van € 16,20 in rekening gebracht.

1.3. Eind juni 2006 heeft het CAK van de Belastingdienst de definitieve inkomensgegevens over 2003 betreffende de partner van appellante ontvangen. Vervolgens heeft het CAK namens VGZ bij besluit van op of omstreeks 12 juli 2006 de maximale eigen bijdrage van appellante voor zorg zonder verblijf voor het jaar 2005 definitief vastgesteld op € 224,53 per periode van vier weken.

1.4. Bij factuur van 31 juli 2006, voor zover hier van belang, heeft het CAK namens VGZ de onder 1.2 genoemde facturen gecorrigeerd. Daarbij zijn de eigen bijdragen voor aan appellante geleverde thuiszorg over 2005 opnieuw vastgesteld, nu met inachtneming van het bij het besluit van op of omstreeks 12 juli 2006 definitief vastgestelde maximum. Rekening houdend met de reeds gefactureerde bedragen is appellante voor geleverde thuiszorg over 2005 een bedrag van € 2.559,14 in rekening gebracht.

1.5. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft VGZ het bezwaar van appellante tegen de factuur van 31 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om een veroordeling tot het vergoeden van schade. Zij heeft aangevoerd dat VGZ, door pas bij de factuur van 31 juli 2006 de definitieve eigen bijdrage vast te stellen en het niet eerder gefactureerde bedrag alsnog in rekening te brengen, haar de mogelijkheid heeft onthouden om tijdig een ook in financieel opzicht verantwoorde keuze inzake het ontvangen van thuiszorg te maken. Als het CAK haar eerder over de hoogte van de definitieve eigen bijdrage had geïnformeerd had zij van thuiszorg kunnen afzien en was de vordering niet zo hoog opgelopen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hij al eerder heeft overwogen dat in het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geen wettelijke grondslag wordt gevonden voor het niet opleggen, matigen of kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen als de onderhavige. De Raad verwijst in dit verband bij wijze van voorbeeld naar zijn uitspraak van 16 september 2009, LJN BJ9008.

4.2. De Raad stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de bij de factuur van 31 juli 2006 voor in het jaar 2005 geleverde thuiszorg in rekening gebrachte bedragen zijn vastgesteld in overeenstemming met hetgeen daaromtrent in het Bijdragebesluit zorg is bepaald.

4.3. Weliswaar zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard, zoals het bepaalde in het Bijdragebesluit zorg, in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, maar deze situatie doet zich naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval niet voor. Blijkens de gedingstukken moet het voor appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de bij de onder 1.2 genoemde facturen voor geleverde thuiszorg in rekening gebrachte bedragen een voorlopig karakter droegen en dat definitief een hoger bedrag in rekening zou kunnen worden gebracht. De Raad wijst in dit verband op het aanvullend bezwaarschrift van 25 oktober 2006 waarin wordt vermeld dat appellante kon vermoeden dat zij nog zou moeten nabetalen en op de opmerking van gemachtigde van appellante ter zitting van de rechtbank dat appellante begrijpt dat de nota’s nog niet definitief waren. Onder die omstandigheden lag het op de weg van appellante om bij het CAK te informeren op welke wijze zij, uitgaande van de bij haar beschikbare (eventueel) voorlopige inkomensgegevens over het peiljaar 2003, een indicatie kon krijgen van de voor haar geldende maximale eigen bijdrage. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dat heeft gedaan. De omstandigheid dat appellante bij het besluit van op of omstreeks 25 juni 2005 niet de door VGZ in hoger beroep overgelegde informatiebrochure zou hebben ontvangen brengt in dit oordeel geen verandering.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Hetgeen onder 4.4 is overwogen brengt mee dat de Raad het verzoek van appellante om een veroordeling tot het vergoeden van schade zal afwijzen.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD