Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
09-6619 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pas in de brief van 10 oktober 2008 is een terugvorderingsbesluit opgenomen waar het gaat om het in geding zijnde bedrag. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het terugvorderingsbesluit van 10 oktober 2008 is meer dan twee jaren later genomen dan (ook) de laatste betaalbaarstelling van hetgeen in dit geval volgens de minister onverschuldigd is betaald. De conclusie moet dan ook zijn dat de minister op het moment van terugvordering niet meer bevoegd was tot deze terugvordering, onverschillig of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd werd betaald. Vernietiging uitspraak. Herroept het besluit van 10 oktober 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6619 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2009, 09/210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Aarts, advocaat te Utrecht. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [docent] in een volledige betrekking bij de Regionale Scholengemeenschap [naam regio] te [vestigingsplaats]. Met ingang van 1 juli 2000 is hem eervol ontslag verleend in verband met ziekte.

1.2. Appellant ontving een werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Met ingang van 21 juli 2005 is hem een ziekteuitkering op grond van het BWOO toegekend, berekend naar een arbeidsomvang van 36 uren en 52 minuten. Ingaande 16 januari 2006 is appellant hersteld verklaard.

1.3. Bij brief van 25 september 2006 heeft de minister appellant het volgende overzicht gegeven van (wijzigingen in) zijn uitkeringen: een ziekteuitkering van 1 januari 2006 tot 16 januari 2006 met een omvang van 36 uren en 51 minuten alsmede een werkloosheidsuitkering vanaf 16 januari 2006 met een omvang van 16 uren en 51 minuten. Daarbij is opgemerkt dat de financiële gevolgen van de wijzigingen terug te vinden zijn op uitkeringsspecificaties van september 2006. De eerste van deze specificaties betreft de ziekteuitkering; daarop is een bedrag van € 2.841,50 vermeld onder de noemer “inhouding” en “uitbetaling: vordering”. De tweede specificatie betreft de werkloosheidsuitkering; daarop is een bedrag van € 1.027,17 vermeld onder de noemer “betaling” en “uitbetaling: postgironummer (…)”.

1.4. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de minister appellant bericht dat hij over de maanden januari tot en met september 2006 € 2.841,50 teveel aan ziekteuitkering heeft ontvangen en over die maanden € 1.027,17 aan werkloosheidsuitkering niet aan hem is uitbetaald. Voorts is de ziekteuitkering van appellant over januari 2006 met € 159,42 gecorrigeerd. Gelet op een en ander bestaat een totale vordering van € 1.973,75 op appellant, aldus de minister. Dit bedrag is teruggevorderd met toepassing van artikel 21 van het BWOO. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze terugvordering. Bij het bestreden besluit van 9 december 2008 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat in de brief van 10 oktober 2008 geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is vervat; deze brief is slechts een herhaling van wat appellant al in september 2006 is medegedeeld in de specificaties over de ziekteuitkering en de werkloosheidsuitkering. Niettemin heeft de minister de terugvordering gematigd met € 159,42, omdat de terugvordering van dit bedrag op een vergissing berustte.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover in geding, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hieraan ligt ten grondslag dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Aangezien de minister dit besluit echter voor zijn rekening heeft genomen en de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring op zichzelf juist achtte, heeft zij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Anders dan de minister kan de Raad niet inzien dat in de onder 1.3 vermelde uitkeringsspecificatie van september 2006 betreffende de ziekteuitkering van appellant, al dan niet bezien in samenhang met de brief van 25 september 2006, een besluit is vervat tot terugvordering van het daarin genoemde bedrag. De term “terugvordering” komt noch in de brief van 25 september 2006 noch in die specificatie voor. In die specificatie zou wel een besluit tot herziening van de uitkeringen van appellant kunnen worden gelezen. De rechtbank kenmerkt die specificatie in de aangevallen uitspraak niet ten onrechte als een herberekening. De rechtbank miskent evenwel dat een herberekening (of een herzieningsbesluit, dan wel een mededeling dat een bedrag ten onrechte is uitbetaald) zeker niet met een terugvordering op één lijn kan worden gesteld.

3.2. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat pas in de brief van 10 oktober 2008 een terugvorderingsbesluit is opgenomen waar het gaat om het in geding zijnde bedrag. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd nu daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover in geding, in stand zijn gelaten.

4. Uit een oogpunt van proceseconomie en gelet op het ter zitting verhandelde zal de Raad zelf in de zaak voorzien en tot een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 10 oktober 2008 overgaan.

4.1. Volgens artikel 21 van het BWOO kan hetgeen op grond van dit besluit onverschuldigd is betaald worden teruggevorderd : a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien door toedoen van betrokkene onverschuldigd is betaald en b. gedurende twee jaren na die dag in de overige gevallen waarin het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd werd betaald.

4.2. Tussen partijen is niet in geding dat de onverschuldigde betaling niet door toedoen van appellant heeft plaatsgevonden. Verder is het terugvorderingsbesluit van 10 oktober 2008 meer dan twee jaren later genomen dan (ook) de laatste betaalbaarstelling van hetgeen in dit geval volgens de minister onverschuldigd is betaald. De conclusie moet dan ook zijn dat de minister op het moment van terugvordering niet meer bevoegd was tot deze terugvordering, onverschillig of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd werd betaald.

4.3. Het bezwaar van appellant is dus gegrond. Nu het aan het bestreden besluit klevende gebrek niet kan worden hersteld, zal de Raad het besluit van 10 oktober 2008 herroepen.

5. Ten slotte vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;

Herroept het besluit van 10 oktober 2008;

Veroordeelt de minister in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en A.J. Schaap en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M. Nijholt.

HD