Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
09-4558 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ZW- en TW-uitkering. Inlezen moederbesluit in terugvorderingsbesluit. Wat betreft de TW-uitkering is de Raad van oordeel dat het besluit van 21 april 2008 dat betrekking heeft op de terugvordering van deze uitkering, tevens een besluit tot intrekking van deze uitkering bevat als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de TW. Naar het oordeel van de Raad is er geen grond de intrekking van de TW-uitkering voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat er weliswaar sprake is van een niet gelukkige, voor verbetering vatbare formulering en opzet van de onderhavige besluiten, maar niet is gebleken dat deze voor betrokkene onvoldoende duidelijk zijn geweest.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet 11a
Toeslagenwet 20
Ziektewet 33
Ziektewet 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4558 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2009, 08/4489 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 november 2010 heeft betrokkene haar standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2010 waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. F.M.H.A. Swarts. Betrokkene is - zoals aangekondigd - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontving sedert 5 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarnaast ontving zij sinds 10 mei 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) en een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW).

1.2. Bij besluit van 31 mei 2007 is met ingang van 7 juni 2006 de WAO-uitkering van betrokkene herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% waarbij de hoogte van de uitkering is bepaald op € 49,11 bruto per uitkeringsdag. Het bedrag dat betrokkene aan WAO-uitkering ontving is daarmee verhoogd met € 39,29 bruto per uitkeringsdag.

1.3. Bij brief van 22 januari 2008 heeft appellant het volgende aan betrokkene bekendgemaakt wat betreft de uitkering ingevolge de ZW vanaf 6 juni 2006:

“U ontvangt sinds 10 mei 2006 ziekengeld. Daarnaast ontvangt u een WAO-uitkering welke met ingang van 6 juni 2006 wordt verhoogd met € 39,29. Alleen als het bedrag aan ziekengeld hoger is dan het bedrag waarmee uw WAO-uitkering is verhoogd, mogen wij dat meerdere nog uitbetalen. Dit betekent dat het bedrag van de verhoging van uw WAO-uitkering op het ziekengeld in mindering wordt gebracht. (…)

Uw ziekengeld bedroeg € 42,43

Verhogingsbedrag WAO-uitkering € 39,29 -/-

Met ingang van 6 juni 2006 wordt nog € 3,14 bruto per dag aan ziekengeld aan u uitbetaald.”

1.4. Bij genoemde brief van 22 januari 2008 heeft appellant voorts

het volgende meegedeeld wat betreft de uitkering ingevolge de TW vanaf 6 juni 2006:

“U ontvangt naast de ziektewet ook nog een toeslag op uw uitkering. Omdat u recht heeft op de WAO, zal de toeslag worden ingetrokken per 6 juni 2006. U ontvangt de toeslag dan van de afdeling WAO.”

2.1. Bij afzonderlijke besluiten van 21 april 2008 heeft appellant vastgesteld dat ten onrechte ZW- en TW-uitkering is verstrekt over de periode van 7 juni 2006 tot en met 30 juni 2007 en dat de desbetreffende uitkeringen zijn ingetrokken. Deze uitkeringen zijn bij die besluiten over de periode 6 december 2006 tot en met 30 juni 2007 teruggevorderd tot een bedrag van in totaal (€ 5.893,50 + € 2.211,70 =) € 8.105,20.

2.2. Het bezwaar dat betrokkene tegen deze twee besluiten heeft ingediend is bij besluit van 3 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) door appellant ongegrond verklaard en de besluiten van 21 april 2008 zijn gehandhaafd.

3. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit gerichte beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en is appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over de proceskosten en het griffierecht waarbij de gemeente Amsterdam is aangewezen als de betrokken rechtspersoon. De rechtbank heeft de beroepsgrond van betrokkene gehonoreerd dat niet is voldaan aan de eis dat voorafgaand aan de terugvorderingsbesluiten door appellant met betrekking tot de uitkeringen ingevolge de ZW en de TW een intrekkings-, herzienings-, of anticumulatiebesluit is genomen.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de brief van 22 januari 2008, zonodig gelezen in samenhang met de besluiten van 21 april 2008, ten onrechte niet heeft opgevat als herzieningsbesluiten op grond van de ZW en de TW. Voorts is het dictum van de aangevallen uitspraak onjuist voor zover is bepaald dat het griffierecht en de proceskosten moeten worden vergoed door de gemeente Amsterdam. Naar de mening van appellant is het bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de ZW en de TW met ingang van 4 december 2006 terecht teruggevorderd en is het bestreden besluit op juiste gronden genomen.

5. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak juist is en heeft verwezen naar wat zij in beroep al naar voren had gebracht. Zij heeft het geschil, indien er toch geoordeeld zou worden dat er sprake is van intrekkingsbesluiten, zich zien toespitsen op de vraag of de teveel ontvangen uitkeringen netto of bruto moeten worden terugbetaald en heeft hierbij gewezen op de door appellant gehanteerde Beleidsregel terug- en invordering, Stcrt. 1999 nr. 75.

6. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

6.1. Voor de beoordeling of er sprake is van onverschuldigd betaalde ZW- en TW-uitkering als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, van de ZW en 20, eerste lid, van de TW dient eerst te worden onderzocht of appellant ter zake een herzienings- of intrekkingsbesluit heeft genomen.

6.2.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat zodanig besluit wat het ziekengeld betreft besloten ligt in de brief van 22 januari 2008. Tegen dit besluit als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de ZW heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.

6.2.2. Wat betreft de TW-uitkering is de Raad van oordeel dat het besluit van 21 april 2008 dat betrekking heeft op de terugvordering van deze uitkering, tevens een besluit tot intrekking van deze uitkering bevat als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de TW. Naar het oordeel van de Raad is er geen grond de intrekking van de TW-uitkering voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat er weliswaar sprake is van een niet gelukkige, voor verbetering vatbare formulering en opzet van de onderhavige besluiten, maar niet is gebleken dat deze voor betrokkene onvoldoende duidelijk zijn geweest. In dit verband merkt de Raad op dat betrokkene haar desbetreffende bezwaarschrift van 22 mei 2008 niet alleen heeft gericht tegen terugvordering maar ook tegen de herziening van de toeslag over de periode van 4 december 2006 tot en met 30 juni 2007. In de gronden van haar bezwaar heeft zij aangevoerd dat appellant de uitkering niet met terugwerkende kracht had mogen herzien of intrekken. In haar bij de rechtbank ingediende beroepschrift heeft betrokkene dit standpunt herhaald. Niet eerder dan bij de aanvulling van de gronden van haar beroep op 15 juni 2009 heeft betrokkene bij de rechtbank aangevoerd dat een herzienings- of intrekkingsbesluit ontbreekt.

6.3. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, komt de Raad tot het volgende oordeel.

6.4.1. Gelet op de overwegingen 6.1 tot en met 6.2.2 heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat onverschuldigd ziekengeld en toeslag aan betrokkene is betaald als gevolg van de verhoging van de WAO-uitkering per 7 juni 2006. Tot 4 december 2006 heeft verrekening van het desbetreffende bedrag plaatsgevonden. Met ingang van 4 december 2006 diende appellant ingevolge artikel 33, eerste lid, van de ZW en artikel 20, eerste lid, van de TW tot terugvordering over te gaan. Hieraan doet niet af dat in de brief van 22 januari 2008 is meegedeeld dat aan betrokkene over de periode van 6 juni 2006 tot 1 juli 2007 al het volledige bedrag aan ziekengeld is uitbetaald, dat het te veel betaalde bedrag zal worden verrekend met de inmiddels aan betrokkene toekomende verhoging van de WAO-uitkering en dat zij hierover nog nader bericht ontvangt. In dit verband merkt de Raad op dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verrekening die plaatsvond tot 4 december 2006 en de onderhavige terugvordering.

6.4.2. De verwijzing naar eerdergenoemde Beleidsregel terug- en invordering kan niet tot het door betrokkene gewenste resultaat leiden. Zoals hiervoor is vastgesteld zijn op 22 januari 2008 en 21 april 2008 besluiten tot intrekking van de uitkeringen genomen. Eerst daarmee is vastgesteld dat sprake is van onverschuldigde betaling. Reeds op grond hiervan kon terugbetaling niet meer plaatsvinden in hetzelfde belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond zoals vereist in de Beleidsregel. De door betrokkene genoemde uitspraak van de Raad van 8 juni 2007, LJN BA8255, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat die uitspraak betrekking heeft op de Wet werk en bijstand waarin een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering is neergelegd en geen verplichting zoals hier aan de orde.

6.4.3. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien, als bedoeld in het vierde lid van artikel 33 van de ZW en van artikel 20 van de TW, is naar het oordeel van de Raad niet gebleken.

6.4.4. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

KR