Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09-6804 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berisping omdat appellant tijdens ziekte niet telefonisch bereikbaar was. Er is geen bepaling aan te wijzen die expliciet voorschrijft dat een ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst tijdens ziekte telefonisch bereikbaar moet zijn. Desondanks kan het niet telefonisch bereikbaar zijn van een dergelijke ambtenaar wel plichtsverzuim opleveren. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval zijn geen afspraken gemaakt tussen appellant en zijn leidinggevende over de bereikbaarheid van appellant tijdens ziekte, heeft appellant de telefoon niet opgenomen vanwege de door hem gevoelde spanning in de relatie met zijn leidinggevende en bleek appellant wel bereikbaar toen hij op 21 oktober 2008 thuis werd aangetroffen tijdens een huisbezoek. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad het telefonisch niet bereikbaar zijn niet worden aangemerkt als strafwaardig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6804 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 november 2009, 09/504 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011. Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oeneman en mr. A. van Gerwen, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is sinds 1972 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van administratief medewerker/centralist bij de Belastingdienst/[Regio]. Op 23 november 1998 heeft hij zich ziek gemeld. Per 18 december 1999 is hem een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Per 1 september 2001 is hij herplaatst voor 28 uur per week in aangepast eigen werk. Van 22 februari 2007 tot 1 april 2007 is de WAO-uitkering tijdelijk verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Sinds 1 april 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Vanaf dat moment bestaat er verschil van mening tussen appellant en zijn leidinggevende over de vraag of de werkzaamheden die appellant zijn opgedragen wel in overeenstemming zijn met de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Dat heeft geleid tot spanning bij appellant, diverse ziekmeldingen van appellant en het meermalen vragen van een deskundigenoordeel door appellant.

1.3. Bij besluit van 9 februari 2009 is aan appellant de straf van een schriftelijke berisping opgelegd omdat hij tijdens ziekte, die heeft geduurd van 13 tot 23 oktober 2008, op 20 en 21 oktober 2008 telefonisch niet bereikbaar was voor zijn werkgever. De straf is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 april 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De staatssecretaris neemt het standpunt in dat een zieke werknemer telefonisch bereikbaar dient te zijn zolang geen andere afspraken zijn gemaakt tussen de zieke werknemer en zijn leidinggevende. Ter zitting heeft de staatssecretaris gewezen op een folder van de Belastingdienst uit 2004 “Het kan iedereen overkomen”, waarin onder punt 6 het volgende is opgenomen: “Er wordt tijdens je ziekte regelmatig contact met je opgenomen door de leidinggevende en/of de arbodienst. Om dit contact mogelijk te maken, maken jij en je leidinggevende afspraken over de beschikbaarheid tijdens je ziekte.”

In het bestreden besluit is overwogen dat hoofdstuk 8 van het Reglement Personeels-voorschriften Belastingdienst (RPVB) de voorzieningen in verband met ziekte nader uitwerkt. Een specifieke bepaling is daarbij niet genoemd. Verwezen is naar de Beeld-krant van de Belastingdienst en het Intranet van de Belastingdienst/[Regio]. Onder de gedingstukken bevindt zich een afdruk van een aantal pagina’s van het Belastingnet. Onder het kopje “Als u ziek bent” is opgenomen dat bij ziekte direct een ziekmelding bij de leidinggevende moet plaatsvinden, dat de zieke thuis bezoek van een verzuim-rapporteur van de arbodienst kan krijgen en dat hij verplicht is aan een oproep door de bedrijfsarts gehoor te geven.

3.2. Gelet op wat in 3.1 is verwoord, stelt de Raad vast dat geen bepaling is aan te wijzen die expliciet voorschrijft dat een ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/[Regio] tijdens ziekte telefonisch bereikbaar moet zijn. Desondanks kan het niet telefonisch bereikbaar zijn van een dergelijke ambtenaar wel plichtsverzuim opleveren. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval zijn geen afspraken gemaakt tussen appellant en zijn leidinggevende over de bereikbaarheid van appellant tijdens ziekte, heeft appellant de telefoon niet opgenomen vanwege de door hem gevoelde spanning in de relatie met zijn leidinggevende en bleek appellant wel bereikbaar toen hij op 21 oktober 2008 thuis werd aangetroffen tijdens een huisbezoek. Onder deze omstan-digheden kan naar het oordeel van de Raad het telefonisch niet bereikbaar zijn niet worden aangemerkt als strafwaardig plichtsverzuim. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking, evenals het bestreden besluit dat door de rechtbank ten onrechte in stand is gelaten. Aangezien het gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit eveneens kleeft aan het besluit van 9 februari 2009 en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen.

4. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 9 februari 2009 zal herroepen wegens aan de staatssecretaris te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand. De Raad ziet aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 437,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 9 februari 2009;

Veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.403,-;

Bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 373,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en B.J. van de Griend en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) M. Nijholt.

HD