Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09-5879 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervallenverklaring bezoldiging wegens niet hervatten na ziekte, is terecht. Geen objectieve medische gegevens te vinden, die het onmogelijk maken, dat appellante haar werk hervat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5879 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 september 2009, 08/2497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Furore (hierna: stichting).

Datum uitspraak: 3 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.C. van der Wiel, advocaat te Groningen.

De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Ideler-Ouwens, advocaat te Woerden, en [P.], werkzaam bij de stichting.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was tot 10 december 2008 als groepsleerkracht in dienst van de stichting. Met ingang van 1 augustus 2003 was haar op eigen verzoek langdurig onbetaald verlof verleend en heeft zij haar werk neergelegd. In oktober 2004 werd het verlof verlengd tot 15 oktober 2005.

1.2. Op 18 april 2005 heeft appellante zich wegens oogklachten ziek gemeld; dit bracht mee dat de stichting de betaling van de bezoldiging aan appellante heeft hervat. Deze ziekmelding is gevolgd door een aanvraag van appellante om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia). Uiteindelijk is haar een uitkering geweigerd op grond van artikel 8, derde lid, van de Wia, omdat zij ten tijde van de ziekmelding niet ingevolge de Wia was verzekerd. De Raad heeft dat in zijn uitspraak van 16 oktober 2008, LJN BG1107, onderschreven.

1.3. Intussen had de stichting op 6 en 14 maart 2008 appellante opgedragen uiterlijk op 16 respectievelijk 17 maart 2008 het werk te hervatten. Aan deze opdrachten lag een advies van de bedrijfsarts ten grondslag, inhoudende dat appellante geschikt was te werken. Appellante heeft aan deze opdrachten geen gehoor gegeven. Het deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 18 april 2008, dat op verzoek van appellante is opgemaakt, hield in dat zij op 17 maart 2008 niet arbeidsongeschikt was, welk oordeel was gebaseerd op een rapport van een verzekeringsgeneeskundige van het Uwv van 16 april 2008.

1.4. Op 21 april 2008 heeft de stichting appellante gelast om op 13 mei 2008 haar werk te hervatten. Appellante heeft hierop geantwoord dat zij het niet eens is met het zojuist genoemde deskundigenoordeel en niet zal hervatten. Ook weigerde zij naar de bedrijfsarts te gaan. Op 16 mei 2008 heeft de stichting appellante opgedragen om op 19 mei 2008 haar werk te hervatten, waaraan werd toegevoegd dat, zou appellante niet hervatten, haar aanspraak op bezoldiging vervallen zal worden verklaard. Appellante heeft aan deze opdracht niet voldaan.

1.5. Bij besluit van 4 juni 2008 heeft de stichting met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bza) de aanspraak op bezoldiging van appellante met ingang van 5 juni 2008 vervallen verklaard. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is bij besluit van 1 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor appellante geen geldige reden om op 19 mei 2008 haar werk niet te hervatten. Daarom was de stichting bevoegd om de aanspraak op bezoldiging van appellante vervallen te verklaren. De rechtbank heeft haar oordeel vooral laten steunen op het rapport van 28 mei 2009 dat de als deskundige aangewezen oogarts dr. C.A.A. Hulsman te Amsterdam had uitgebracht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bza - voor zover hier van belang - kan het bevoegd gezag de aanspraak op bezoldiging geheel of ten dele vervallen verklaren, indien en zolang de betrokkene in gebreke blijft op het door de arbodienst of het Uwv bepaalde tijdstip zijn arbeid te verrichten, tenzij hij daarvoor een inmiddels ontstane, door de arbodienst of het Uwv als geldig erkende reden heeft opgegeven.

3.2. Blijkens het in overweging 1.3 genoemde deskundigenoordeel van 18 april 2008 en het daarmee overeenstemmende advies van de bedrijfsarts was appellante gehouden op 17 maart 2008 haar werk te hervatten. Dit heeft appellante geweigerd. Ook de daaropvolgende opdrachten van 21 april 2008 en - hier aan de orde - van 16 mei 2008 heeft appellante naast zich neergelegd. De arbodienst noch het Uwv heeft later een geldig erkende reden voor deze houding van appellante opgegeven. Met inachtneming hiervan was de stichting althans in beginsel bevoegd toepassing te geven aan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van de Bza, zoals zij heeft gedaan.

3.3. Appellante betwist dat ook in hoger beroep. Haar stelling is onverkort dat zij voor haar niet hervatten een aanvaardbare en geldige reden had, te weten haar oogklachten die het haar onmogelijk maakten op 19 mei 2008 aan het werk te gaan.

3.4. De Raad is van oordeel dat er in de gedingstukken geen objectieve medische gegevens te vinden zijn die de opvatting van appellante steunen. Zo is noch in het rapport van 5 februari 2008 van de oogarts J.T.H.N. Faber te Rotterdam noch in dat van de oogarts dr. Hulsman als conclusie vermeld dat appellante ten gevolge van haar oogklachten, die in beide rapporten op een zelfde wijze zijn beschreven en gediagnosticeerd, ongeschikt is voor haar werk als groepsleerkracht.

3.5. Appellante heeft in hoger beroep een rapport van 3 december 2010 ingebracht van de arbeidsdeskundige M.E.L. Bentum, verbonden aan Heling & Partners te Assen, in welk rapport hij tot de slotsom komt dat appellante ten gevolge van haar oogklachten niet in staat mag worden geacht als groepsleerkracht te werken. De Raad is van oordeel dat dit rapport geen ander licht werpt op de objectieve medische gegevens die in overweging 3.4 zijn vermeld, die immers een zo verregaande uitkomst niet hebben. Bovendien is dit rapport niet gebaseerd op een onderzoek naar het werken van appellante als groepsleerkracht in de praktijk. Dit is een aspect dat in het in overweging 1.3 genoemde rapport van 16 april 2008 van essentiƫle betekenis is genoemd om de beperkingen die appellante in de praktijk van haar oogklachten ondervindt te kunnen beoordelen nu appellante niet wegens haar oogklachten haar werk heeft moeten staken, achter welke opvatting de bedrijfsarts zich heeft geschaard. De Raad is, gezien naar de datum 19 mei 2008, niet gebleken van omstandigheden die appellante in de weg stonden om althans te proberen aan het werk te gaan, zodat de bedrijfsarts in staat gesteld zou worden de invloed van de beperkingen die bij appellante wegens haar oogklachten zonder twijfel bestaan, op het kunnen verrichten over de werkzaamheden te beoordelen.

3.6. De Raad komt dan ook, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat de stichting op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bza bevoegd was de aanspraak van appellante op bezoldiging met ingang van 5 juni 2008 vervallen te verklaren. Dat de stichting in redelijkheid die bevoegdheid niet had mogen gebruiken is niet gebleken.

De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.

4. De Raad acht geen aanleiding aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

RB