Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09-4964 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Stopzetting bezoldiging. Bezwaar door de korpsbeheerder terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. 2) Schadevergoeding wegens het zonder afmelden niet verschijnen voor een onderzoek. Appellant is zonder toestemming op vakantie gegaan. Appellant heeft zich willens en wetens onttrokken aan het onderzoek. De korpsbeheerder was dan ook op grond van artikel 68 van het Barp bevoegd een gedeelte van de kosten van dat onderzoek op appellant te verhalen. 3) Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Tijdens arbeidsongeschiktheid, zonder toestemming op vakantie gegaan en niet verscheen voor onderzoek. Nevenwerkzaamheden niet gemeld. Ontslag niet onevenredig te achten aan de aard en de ernst van het aan appellant verweten plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4964 AW en 09/4965 AW en 09/4966 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 24 juli 2009, 07/843 (hierna: aangevallen uitspraak 1), 08/47 (hierna: aangevallen uitspraak 2), 08/569 (hierna: aangevallen uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

De korpsbeheerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de gedingen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011. Appellant is verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem, en

[V.], werkzaam bij de politieregio [naam regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1981 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van de) politieregio [naam regio], laatstelijk als senior gebiedsgebonden politiefunctionaris bij het district [naam district]. Vanaf oktober 2003 is appellant afwisselend geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest.

1.2. In het kader van zijn re-integratie hebben er verschillende gesprekken, zogeheten poortwachtergesprekken, met appellant plaatsgevonden. Tijdens het poortwachtergesprek op 22 juni 2006 is met appellant afgesproken dat hij een onderzoek zou ondergaan ten einde zijn re-integratiemogelijkheden vast te stellen. Op 7 september 2006 is appellant tijdens het poortwachtergesprek meegedeeld dat ”op korte termijn een afspraak ingepland kan worden voor het onderzoek”.

1.3. Bij brief van 12 september 2006 heeft appellant zijn leidinggevende V verzocht hem toestemming te verlenen om vanaf 18 september 2006 tot 3 oktober 2006 met vakantie te gaan. Nadat daarop door V en personeelsmanagementadviseur K op 13 september 2006 telefonisch was gereageerd, heeft zijn districtschef bij brief van 14 september 2006 appellant de dienstopdracht gegeven mee te werken aan het op 27 september 2006 geplande onderzoek door Aob Compaz (hierna: onderzoek).

1.4. Appellant is van 18 september 2006 tot 3 oktober 2006 met vakantie in het buitenland geweest en is, zonder afmelding, voor het op 27 september 2006 geplande onderzoek niet verschenen.

1.5. Op verzoek van de korpsleiding heeft het Bureau Interne Zaken eind 2006 een onderzoek in gang gezet naar mogelijk door appellant gepleegd plichtsverzuim. Bij besluit van 16 februari 2007 is de aanspraak op bezoldiging van appellant op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit bezoldiging politie, zoals dat luidde ten tijde in geding, over de periode 27 september 2006 tot 4 oktober 2006 vervallen verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant zich niet heeft gehouden aan de voor hem geldende verplichtingen in het kader van ziekteverzuimbegeleiding.

1.6. Bij besluit van 16 maart 2007 is appellant op grond van artikel 68, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) verplicht tot het vergoeden van een gedeelte van de kosten, te weten € 225,-, van het onderzoek, dat volgens de korpsbeheerder door toedoen van appellant op 27 september 2006 niet heeft plaatsgevonden.

1.7. Na op 27 juni 2007 het voornemen daartoe te hebben geuit, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 19 september 2007 aan appellant met ingang van 1 oktober 2007 de straf van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp wegens (zeer) ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond, kort samengevat, uit het niet volledig naleven van de geldende voorschriften in het kader van de ziekte-verzuimbegeleiding, het niet opvolgen van een dienstopdracht en het niet spreken van de waarheid.

1.8. Bij besluit van 20 juli 2007 (hierna: besluit 1) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 februari 2007 wegens termijnoverschrijding, niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 30 november 2007 (hierna: besluit 2) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 april 2008 (hierna: besluit 3) is na bezwaar van appellant het strafontslag gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende

4. Stopzetting bezoldiging (aangevallen uitspraak 1 en besluit 1)

4.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in deze uitspraak terecht heeft vastgesteld dat het door appellant ingediende bezwaarschrift van 21 maart 2007 tegen het besluit van 16 februari 2007 eerst op 28 juni 2007 door de korpsbeheerder is ontvangen. Dit betekent dat appellant te laat, dit wil zeggen buiten de termijn van artikel 6:6 in verbinding met artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bezwaar heeft gemaakt. Evenmin als de rechtbank is de Raad kunnen blijken dat appellant voor de termijnoverschrijding verschoonbare redenen heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.2. In hoger beroep heeft appellant nog gewezen op de brieven van 26 april 2007 en 7 juni 2007, waaruit volgens hem blijkt dat het bezwaarschrift van 21 maart 2007 eerder door de korpsbeheerder is ontvangen dan 28 juni 2007.

De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Weliswaar wordt in die brieven verwezen naar een bezwaarschrift gericht tegen een besluit van 16 februari 2007, maar, gelet op de inhoud van die brieven, wordt daarmee onmiskenbaar bedoeld het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 maart 2007 over het betalen van een gedeelte van de kosten van het onderzoek. Ook het in die brieven vermelde referentienummer van het besluit waartegen bedoeld bezwaarschrift was gericht, correspondeert met het besluit van 16 maart 2007. Vastgesteld moet dan ook worden dat in die brieven per abuis 16 februari 2007 is vermeld als datum van het besluit waartegen bedoeld bezwaarschrift was gericht. Bovendien heeft de korpsbeheerder appellant in de brief van 26 april 2007 uitdrukkelijk meegedeeld geen bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 februari 2007 tot stopzetting van zijn bezoldiging te hebben ontvangen.

4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat deze uitspraak moet worden bevestigd.

5. Schadevergoeding (aangevallen uitspraak 2 en besluit 2)

5.1. In artikel 68 van het Barp, zoals dat ten tijde in geding luidde, is bepaald dat het bevoegd gezag de ambtenaar kan verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

5.2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 geoordeeld dat de korpsbeheerder van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 68 van het Barp gebruik heeft kunnen maken. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant met ingang van 18 september 2006 voor de duur van twee weken met vakantie is gegaan, terwijl hem (tijdig) bekend was dat het onderzoek zou plaatsvinden op 27 september 2006. Voorts is de rechtbank gebleken dat appellant (herhaaldelijk) was meegedeeld dat hij aan dit onderzoek zijn medewerking diende te verlenen en dat de korpsbeheerder zijn toestemming had onthouden aan appellants verzoek om in die periode met vakantie te gaan. Door onder die omstandig-heden bewust niet te verschijnen voor dit onderzoek heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank ernstig verwijtbaar gehandeld.

5.3. De Raad onderschrijft hetgeen door de rechtbank is overwogen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.3.1. De Raad is van oordeel dat de korpsbeheerder bevoegd was om op grond van artikel 50 van het Barp, zoals dat ten tijde in geding luidde, appellant te verplichten om het onderzoek te ondergaan. Nog daargelaten de vraag of appellant zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat voor het gebruik maken van die bevoegdheid vooraf de instemming van de bedrijfsarts en appellant vereist was, blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat met de bedrijfsarts vooraf overleg over het te verrichte onderzoek heeft plaatsgevonden en met appellant al op 22 juni 2006 was afgesproken dat hij een dergelijk onderzoek zou ondergaan.

5.3.2. Appellant heeft in hoger beroep nogmaals benadrukt dat aan hem geen dienst-opdracht is gegeven tot het ondergaan van het onderzoek op 27 september 2006, aangezien hij de brief van 14 september 2006 van zijn districtschef, waarin deze dienstopdracht stond vermeld, niet heeft ontvangen. Wat daarvan verder ook zij, naar het oordeel van de Raad staat, gelet op de verklaringen van zijn leidinggevende V en personeelsmanagementadviseur K van 24 oktober 2006 respectievelijk 21 november 2006, voldoende vast dat zij appellant op 13 september 2006 telefonisch hebben medegedeeld dat het onderzoek op 27 september 2006 zou plaatsvinden. Voorts blijkt uit die verklaringen dat appellant tijdens die telefoongesprekken tevens is meegedeeld dat hij verplicht was om zijn medewerking te verlenen aan dat onderzoek en dat hem toen geen toestemming is verleend om vanaf 18 september 2006 twee weken met vakantie te gaan, aangezien dat onderzoek tijdens die periode zou plaatsvinden. Desondanks is appellant vanaf 18 september 2006 tot 3 oktober 2006 met vakantie gegaan en is hij, zonder afmelding, niet verschenen voor het onderzoek op 27 september 2006.

Onder die omstandigheden is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat appellant zich willens en wetens heeft onttrokken aan dat onderzoek. De korpsbeheerder was dan ook op grond van artikel 68 van het Barp bevoegd een gedeelte van de kosten van dat onderzoek op appellant te verhalen.

6. Strafontslag (aangevallen uitspraak 3 en besluit 3)

6.1. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het met vakantie gaan in een periode van arbeidsongeschiktheid terwijl de korpsbeheerder daarvoor nadrukkelijk geen toestemming had verleend en het zich als gevolg daarvan onttrekken aan een onderzoek in het kader van de re-integratieverplichtingen terwijl appellant verplicht was hieraan zijn medewerking te verlenen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant heeft verzuimd de korpsbeheerder te informeren over zijn (voornemen tot het verrichten van) nevenwerkzaamheden op de woensdag- en vrijdagmiddag bij een wijkcentrum, terwijl hij toen geheel dan wel gedeeltelijk arbeidongeschikt was. Verder heeft de korpsbeheerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet de waarheid heeft gesproken over de melding van zijn nevenwerkzaamheden en over de gang van zaken rond zijn vakantie. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van deze gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

6.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over het gehandhaafde strafontslag en onderschrijft de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe.

6.3. Voor zover appellant in hoger beroep heeft betoogd dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het niet naleven van de geldende voorschriften in het kader van de ziekteverzuimbegeleiding, volgt de Raad hem daarin niet.

6.3.1. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor in de overwegingen 5.3.1 en 5.3.2 heeft vermeld, staat voor de Raad voldoende vast dat appellant in strijd met die voor-schriften tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid zonder voorafgaande toestemming van zijn leidinggevende op vakantie is gegaan en dat appellant niet heeft voldaan aan de hem op grond van artikel 50 van het Barp opgelegde verplichting om het onderzoek op 27 september 2006 te ondergaan.

6.3.2. Voorts overweegt de Raad dat appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opgave heeft gedaan van zijn voornemen nevenwerkzaamheden bij het wijkcentrum te verrichten dan wel de korpsbeheerder heeft geïnformeerd toen hij die werkzaamheden al ter hand had genomen. Door daarvan geen melding te maken, is het voor de korpsbeheerder niet mogelijk geweest aan de hand van de juiste informatie over de inhoud van de nevenwerkzaamheden bij de bedrijfsarts te laten nagaan of die werkzaamheden naar zwaarte en omvang van invloed zouden zijn op het ambtelijk functioneren van appellant en zonodig appellant te verbieden deze nevenwerkzaamheden te verrichten. Appellant heeft dan ook naar het oordeel van de Raad in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 55a van het Barp. Daarin is bepaald dat de ambtenaar verplicht is aan het bevoegd gezag opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De kanttekeningen die appellant achteraf heeft gemaakt bij de aard en inhoud van zijn nevenactiviteiten, kunnen hem niet vrijpleiten. Deze informatie had appellant bij zijn tijdige opgave van de nevenwerkzaam-heden aan de korpsbeheerder kunnen verstrekken.

6.4. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat ook naar het oordeel van de Raad voldoende is komen vast te staan dat appellant niet de waarheid heeft gesproken toen hij beweerde dat hem door zijn leidinggevende wel toestemming was verleend om vanaf 18 september 2006 tot 3 oktober 2006 op vakantie te gaan en dat hem door de korpsbeheerder dan wel de bedrijfsarts wel toestemming was verleend tot het verrichten van de nevenwerkzaamheden bij het wijkcentrum.

6.5. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van het aan appellant verweten plichtsverzuim. Ook de Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant door zijn handelen de re-integratie naar zijn werkzaamheden heeft belemmerd. Voorts weegt de Raad mee dat de korpsbeheerder appellant ook eerder had gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet meewerken aan de re-integratie en dat appellant met zijn handelen de noodzakelijke vertrouwensrelatie met de korpsbeheerder ernstig onder druk heeft gezet.

6.6. Uit het vorenstaande volgt dat ook aangevallen uitspraak 3 voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD