Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09-1347 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1347 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 januari 2009, 2008/1114 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding het College van de gemeente Maasgouw in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Thorn. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Thorn.

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.P.M. Mertens, werkzaam bij de gemeente Maasgouw.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 17 september 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Nadat twijfels waren gerezen omtrent de vraag of appellante feitelijk woonachtig was op het door haar opgegeven adres, [adres] te [plaatsnaam], heeft het College daar onderzoek naar gedaan. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek, waaronder waarnemingen bij en onaangekondigde huisbezoeken aan de woning van appellante en een eigen verklaring van appellante, als vermeld in een rapport van 5 september 2006, heeft het College geconcludeerd dat appellante van 4 september 2005 tot en met 4 september 2006 niet in [plaatsnaam] woonde, maar bij haar moeder in [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente]. Dit heeft geleid tot het besluit van 14 november 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit op bezwaar van

10 juli 2007, tot beëindiging (lees: intrekking) van de bijstand met ingang van 1 augustus 2006. Tegen dit besluit op bezwaar is geen beroep ingesteld.

1.3. Op grond van de bevindingen uit nader onderzoek, weergegeven in een rapport van 16 november 2006, waarbij met name is gekeken naar het water- en energieverbruik in de woning van appellante, heeft het College geconcludeerd dat appellante ook in de periode van 23 augustus 2001 tot 1 augustus 2006 feitelijk niet op dat adres woonachtig is geweest. Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 23 augustus 2001 tot

1 augustus 2006 ingetrokken op de grond dat appellante in die periode niet woonde op het door haar opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met dat besluit zijn tevens de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 45.679,08 bruto van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 10 juni 2008 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 juni 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het berust op de grondslag dat het recht op bijstand over de periode van

1 september 2005 tot 1 augustus 2006 niet kan worden vastgesteld en de rechtsgevolgen van dit vernietigde deel van het besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat appellante in die periode in een andere gemeente woonde en om die reden jegens het College geen recht op bijstand had. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard en tevens beslist omtrent vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat, gelet op de in hoger beroep aangevoerde gronden, hier slechts beoordeeld dient te worden het oordeel van de rechtbank over de intrekking van de bijstand over de periode van 23 augustus 2001 tot 1 augustus 2006. Tegen de terugvordering en de hoogte daarvan zijn in hoger beroep geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij ten tijde in geding wel op het door haar opgegeven adres in [plaatsnaam] woonde. Omdat zij, naar zij stelt, daar werd lastig gevallen door een buurman, was het voor haar onmogelijk om in haar woning te verblijven en heeft zij vaak haar toevlucht gezocht bij haar moeder. Appellante is van mening dat zij niet heeft verzuimd om voor het recht op bijstand noodzakelijke inlichtingen te verstrekken en stelt dat haar ook bijstand zou zijn verleend als zij het College wel had geïnformeerd over het veelvuldig verblijf bij haar moeder.

4.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en

11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB verplicht ter zake juiste en volledige inlichtingen te verschaffen aangezien de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante in de periode van 23 augustus 2001 tot 1 augustus 2006 niet daadwerkelijk woonachtig was op het door haar opgegeven adres. De Raad gaat er evenals de rechtbank van uit dat appellante van 4 september 2005 tot 1 augustus 2006 bij haar moeder in [plaatsnaam] woonde. Daartoe acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat appellante op 5 september 2006 heeft verklaard sinds een jaar bij haar moeder te wonen, dat zij in beroep en in hoger beroep heeft gesteld dat het voor haar onmogelijk was om in haar woning in [plaatsnaam] te verblijven en dat uit de beschikbare gegevens met betrekking tot het water- en energieverbruik op het adres van appellante moet worden afgeleid dat de woning in de periode van 23 augustus 2001 tot 7 augustus 2006 niet bewoond is geweest. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij stelt, het gemeten zeer geringe waterverbruik in voormelde periode, te weten in totaal 3 m³, is toe te schrijven aan het feit dat de watermeter is vervangen. Uit de beschikbare gegevens, waaronder het verhandelde ter zitting van de Raad, blijkt dat deze meter in september 2007, dus na voormelde periode, is vervangen.

4.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellante onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent haar feitelijke woonadres. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu appellante, ook achteraf, geen juiste gegevens over haar woon- en leefsituatie in de periode van 23 augustus 2001 tot 1 september 2005 heeft verstrekt, moet worden geoordeeld dat het recht op bijstand in deze periode niet kan worden vastgesteld. Nu is gebleken dat appellante van 1 september 2005 tot 1 augustus 2006 in een andere gemeente dan in de gemeente Maasgouw heeft gewoond, heeft appellante in deze periode jegens het College geen recht op bijstand gehad.

4.6. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 23 augustus 2001 tot 1 augustus 2006. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

HD