Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09/5517 WAO + 10/6041 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (15-25%). Bij nader besluit herziening naar 25-35%. De bezwaarverzekeringsarts had een juist beeld van de met de medische situatie van appellant samenhangende beperkingen. Het tweede besluit berust op een voldoende arbeidskundige motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5517 WAO en 10/6041 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2009, 09/1872 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.M.W. Beers.

De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv bij brief van 7 september 2010 verzocht om een nadere toelichting.

Het Uwv heeft nadere stukken en een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 2 november 2010 ingezonden.

Appellant heeft op de nadere stukken en het nieuwe besluit op bezwaar gereageerd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellant is verschenen bij mr. Brouwer en het Uwv heeft zaak laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout en D.L.A. Politon, bezwaararbeidsdeskundige.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 19 februari 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 24 september 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het Uwv heeft zijn besluit van 19 februari 2009 mede doen steunen op een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 22 januari 2009, een door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 februari 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 februari 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe samengevat overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd noch leidt tot het oordeel dat de voor appellant vastgestelde mogelijkheden zoals neergelegd in de FML geen juist beeld geven van de mogelijkheden van appellant, noch leidt tot het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant niet geschikt zijn.

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat bij de vaststelling van de FML op onvoldoende wijze rekening is gehouden met zijn klachten en dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen aanleiding bestaat de in de FML voor appellant neergelegde mogelijkheden voor onjuist te houden.

3.2. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hij met zijn beperkingen niet in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Daarnaast heeft hij gesteld dat ook indien de FML wel een juist beeld zou geven van zijn mogelijkheden de functies niettemin niet voor hem geschikt zijn.

4.1.1. De Raad overweegt ten aanzien van de beroepsgrond vermeld in 3.1 als volgt.

Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts vermeld in 1 volgt dat hij appellant heeft onderzocht en kennis heeft genomen van de informatie omtrent appellant afkomstig van de huisarts, de neuroloog en de anesthesioloog. Hij heeft op inzichtelijke en concludente wijze aangegeven welke beperkingen en welke mogelijkheden appellant gelet op zijn gezondheidssituatie heeft. Uit zijn rapportage volgt voorts dat hij zich niet geheel heeft kunnen verenigen met de opvatting van de verzekeringsarts en de door deze arts opgestelde beperkingen heeft aangescherpt. Uit hetgeen appellant in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet af dat de bezwaarverzekeringsarts de gezondheidssituatie van appellant niet juist of niet volledig in kaart heeft gebracht. Appellant heeft geen verklaringen ingebracht op grond waarvan kan worden getwijfeld of de bezwaarverzekeringsarts de gezondheidssituatie van appellant volledig en juist in beeld heeft gebracht. De door appellant ingezonden verklaringen van de anesthesioloog, reumatoloog en neuroloog roepen deze twijfel niet op. Nog daargelaten dat deze verklaringen niet zien op de datum in geding wijst de Raad erop dat de in de brieven genoemde klachten bij de bezwaarverzekeringsarts bekend waren en door hem in zijn beschouwingen zijn betrokken. Voorts wijst de Raad erop dat er niet aan voorbij kan worden gegaan dat in de verklaring van de anesthesioloog is vermeld dat de pijnklachten niet goed door objectiveerbare radiologische bevindingen zijn te verklaren en dat in de brief van de neuroloog is vermeld dat er geen tekenen zijn van spontane pathologische spiervezelactiviteit en geen aanwijzingen bestaan voor het - door de reumatoloog als mogelijke verklaring voor de klachten van appellant geopperde - Stiffman syndroom.

4.1.2. Evenmin leidt de Raad uit hetgeen appellant in beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht af dat de bezwaarverzekeringsarts een onjuist beeld had van de met de medische situatie van appellant samenhangende beperkingen. Appellant heeft weliswaar gesteld dat zijn beperkingen zijn onderschat, maar deze stelling heeft hij niet met objectieve gegevens onderbouwd.

4.1.3. Gelet op 4.1.1 en 4.1.2 komt het verzoek van appellant aan de Raad om een deskundige te benoemen niet voor inwilliging in aanmerking.

4.1.4. De beroepsgrond bedoeld in 3.1 treft mitsdien geen doel.

4.2.1. Ten aanzien van de beroepsgrond bedoeld in 3.2 overweegt de Raad als volgt. Aan de schatting heeft het Uwv ten grondslag gelegd de functies medewerker tuinbouw, productiemedewerker voedingsmiddelen en productiemedewerker industrie.

4.2.2. Bij nader besluit op bezwaar van het Uwv van 2 november 2010 is de mate van arbeidsongeschikt van appellant per 24 september 2008 herzien naar 25 tot 35%. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant geschikt wordt geacht voor de functies medewerker tuinbouw - medewerker operations A en teeltmedewerker planten -, productiemedewerker voedingsmiddelen en inpakker.

Nu met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan appellant dient de Raad dit besluit in deze procedure te betrekken.

4.2.3. Uit het besluit van 2 november 2010 volgt dat het Uwv zijn besluit van 19 februari 2009 niet langer handhaaft, omdat de arbeidskundige component van dat besluit niet juist is. Nu het Uwv zijn besluit van 19 februari 2009 niet rechtmatig acht, dienen de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het besluit van 19 februari 2009 ongegrond is verklaard en het besluit van 19 februari 2009 te worden vernietigd.

4.3.1. Het Uwv heeft zijn besluit van 2 november 2010 mede doen steunen op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 september 2010. De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies productiemedewerker voedingsmiddelen, inpakker en de functie teeltmedewerker planten niet voor hem geschikt zijn, omdat in deze functies belastingen voorkomen die zijn mogelijkheden te boven gaan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in haar rapportage vorenbedoeld - ook voor de functie teeltmedewerker planten - op inzichtelijke wijze uiteengezet dat en waarom van overschrijding als door appellant bedoeld in die functies geen sprake is.

In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het door de bezwaararbeidsdeskundige ingenomen standpunt niet kan worden gevolgd. De Raad wijst erop dat in de functie teeltmedewerker planten geen bijzondere eisen worden gesteld aan de wijze waarop hetgeen met één hand moet worden getild in een kar dient te worden geplaatst.

4.3.2. Een inzichtelijke toelichting van de geschiktheid van appellant voor de functie medewerker tuinbouw is echter niet in de in 4.3.1 bedoelde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige opgenomen.

In deze functie dienen ook zogenoemde trays boven in een kar te worden geplaatst. Zoals door de bezwaararbeidsdeskundige in haar rapportage bedoeld in 4.3.1 is aangegeven, wordt dit gebruikelijk door de medewerkers van het bedrijf met twee handen gedaan.

Appellant heeft gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen in ieder geval van het plaatsen van de trays boven in de kar slechts één hand ter beschikking. De bezwaararbeidsdeskundige heeft weliswaar aangegeven dat dit voor appellant geen probleem is, omdat zijn rechterarm normaal is te belasten, maar daarmee heeft zij geen inzicht gegeven in het daadwerkelijke vermogen van appellant gelet op het gewicht, buigzaamheid, omvang en handelbaarheid van de trays, alsmede gelet op de hoogte van de kar deze handelingen in de dagelijkse praktijk te verrichten.

4.3.3. Eerst ter zitting van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige aan de hand van een nadere beschrijving van en toelichting op de werkzaamheden en foto’s gemaakt van die werkzaamheden, inzichtelijk gemaakt dat het plaatsen van de trays ook feitelijk met één hand kan geschieden. Hierbij speelt een rol dat de trays licht van gewicht, niet buigzaam en eenvoudig hanteerbaar zijn en de karren waarin de trays dienen te worden geplaatst niet zodanig hoog zijn dat ver boven schouderhoogte moet worden gewerkt.

4.3.4. Dat zo nu en dan in het bedrijf ook met iets zwaardere trays moet worden gewerkt doet aan het vorenstaande niet af. De frequentie en omvang van werkzaamheden waarin het werken met de zwaardere trays aan de orde is, is zodanig dat het niet voorkomt dat al het personeel kan worden ingezet voor het werken met deze iets zwaardere trays. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aannemelijk gemaakt dat bij de indeling van de werkzaamheden zonder problemen een werknemer als appellant steeds kan en zal worden ingezet bij het werken met de lichtere trays.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.3.1 tot en met 4.3.4 volgt dat de functie van medewerker tuinbouw weliswaar terecht aan het besluit van 2 november 2010 ten grondslag is gelegd, maar dat de geschiktheid van die functie eerst ter zitting van de Raad op deugdelijke wijze is aangetoond.

De Raad komt dan ook niet tot het oordeel dat het besluit van 2 november 2010 een deugdelijke motivering ontbeert. De Raad ziet echter aanleiding hieraan geen gevolgen te verbinden voor de houdbaarheid van het hier besproken besluit nu appellant door deze schending niet is geschaad. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde van appellant ter zitting aanwezig is geweest en ervan op de hoogte was en dat de bezwaararbeidsdeskundige door de Raad was opgeroepen ten einde een toelichting te geven op de geschiktheid van de functie medewerker tuinbouw op het aspect boven schouderhoogte actief zijn en commentaar heeft kunnen leveren op de uiteenzetting van de bezwaararbeidsdeskundige.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 dient het beroep van appellant tegen het besluit van

2 november 2010 ongegrond te worden verklaard.

5. In hetgeen overwogen in 4.2.3 en 4.4 ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 1092,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 november 2010 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1736,50,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

NK