Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
09-574 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen risicodragerschap. Er is voldaan aan de in artikel 75a van de WAO vermelde voorwaarden, nu het immers gaat om een arbeidsongeschiktheidsgeval dat een aanvang heeft genomen op 24 september 2003, toen werkneemster in dienstbetrekking stond tot appellante en vervolgens, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, heeft geleid tot toekenning van uitkering per 22 september 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/574 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[de besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2008, 07/2379 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn ingediend door de opvolgend gemachtigde van appellante, mr. R.J.G. Schouenberg, advocaat te Amsterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, nadere stukken ingezonden. Ook namens appellante is een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Voor appellante zijn verschenen G.H. Groenink en mr. Schouenberg, voornoemd. Het Uwv heeft zich - met kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 14 oktober 2004 aan [naam ex-werkneemster], ex-werkneemster van appellante (hierna: werkneemster), met ingang van 22 september 2004 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 20 april 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij sinds 1 juli 2004 eigen risicodrager is en dat zij in die hoedanigheid per 1 juli 2004 het risico draagt voor het betalen van de WAO-uitkering van werkneemster. Voorts is meegedeeld dat de door het Uwv reeds betaalde uitkering bij appellante zal worden verhaald.

1.3. Het tegen het besluit van 20 april 2007 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 25 juli 2007, hierna: het bestreden besluit. Voorts heeft het Uwv in het bestreden besluit het verzoek van appellante om het eigenrisicodragerschap per 1 juli 2004 te be?indigen en terug te keren naar het publieke bestel afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep tegen het onderdeel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de toerekening (de rechtbank gebruikt in de rubriek “Beslissing” abusievelijk de term verhaal in plaats van toerekening, zie hierna onder rechtsoverweging 4.3) van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan appellante, en niet-ontvankelijk verklaard het onderdeel waarbij terugkeer met terugwerkende kracht naar het publieke bestel aan appellante is geweigerd.

3. In hoger beroep, dat zich uitsluitend richt tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het toerekeningsbesluit, heeft appellante in overwegende mate haar in eerder fasen van de procedure aangevoerde gronden herhaald. Deze komen, samengevat weergegeven, op het volgende neer. Bestreden wordt in de eerste plaats dat werkneemster op de eerste ziektedag en bij einde dienstverband arbeidsongeschikt was. Voorts wordt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster geen verband houdt met het werk in de onderneming van appellante. Tevens wordt aangevoerd dat appellante ten tijde van de keuze voor het eigenrisicodragerschap niet op de hoogte was (gesteld door het Uwv) van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster en dus bij die keuze geen rekening ermee heeft gehouden, noch rekening ermee heeft kunnen houden, dat nadien aan werkneemster een WAO-uitkering zou worden verstrekt. In verband hiermee komt volgens appellante verhaal op haar van de uitkering in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.1. Mede onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad in de eerste plaats dat het bestreden besluit, voor zover nog van belang, uitsluitend het vaststellen van de betalingsverplichting tot onderwerp heeft - de toerekening - en derhalve, anders dan appellante voorstaat, niet tevens als verhaalsbesluit kan worden aangemerkt.

4.2. De Raad merkt in dit verband op dat de passage in het primaire besluit van 20 april 2007, waarin wordt gesproken over verhaal, uitsluitend van informatieve aard is en geen andere strekking heeft dan aan te kondigen dat uitkeringsbedragen die reeds door het Uwv aan werkneemster zijn betaald of nog zullen worden betaald, op appellante zullen worden verhaald. Tot daadwerkelijk verhaal is het Uwv eerst overgegaan bij de zich onder de gedingstukken bevindende besluiten van 13 juli 2007, 23 mei 2008, 4 november 2008, 22 januari 2009, 8 mei 2009, 9 juli 2009 en 6 oktober 2009. Daarin is, onder vermelding van precieze bedragen en perioden, de uitkering op appellante verhaald die in de genoemde tijdvakken, gelegen in de periode van 22 september 2004 tot 22 september 2009, door het Uwv aan werkneemster is betaald.

4.3. In dit kader merkt de Raad voorts nog op dat de aanduiding van het betreffende onderdeel van het bestreden besluit in de rubriek “Beslissing” van de aangevallen uitspraak als verhaalsbesluit, daarbij mede in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 11 van haar uitspraak met juistheid heeft overwogen inzake de door appellante gestelde strijd van het bestreden besluit met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, op een kennelijke vergissing berust.

4.4. Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het onderhavige toerekeningsbesluit, overweegt de Raad dat hij in vaste rechtspraak blijk heeft gegeven van de opvatting dat een dergelijk besluit een beperkte strekking heeft, namelijk het opleggen van een betalingsverplichting aan de werkgever/eigen risicodrager. In lijn hiermee heeft ook de beoordeling van de vraag of een toerekeningsbesluit rechtens juist is te achten een beperkt karakter, waarbij in het bijzonder voorligt de vraag of is voldaan aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, van de WAO gestelde voorwaarden. Uit het beperkte karakter van deze toetsing vloeit voort dat geen feiten en omstandigheden in de beoordeling worden betrokken die geen verband houden met deze uit hun aard op zichzelf te beschouwen voorwaarden. Hierin ligt tevens besloten dat van de zijde van appellante tevergeefs een beroep is gedaan op schending door het Uwv van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wegens het gestelde gebrek aan informatie door het Uwv inzake het ten tijde van belang lopende arbeidsongeschiktheidsgeval van werkneemster. Eerst in de fase van verhaal kunnen, naar eveneens in vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd, die beginselen een rol spelen.

4.5. Evenmin komt de Raad toe aan beoordeling van hetgeen namens appellante naar voren is gebracht over aanvang en duur van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster. Daarbij gaat het immers om aspecten die onderdeel uitmaken van het besluit tot toekenning van WAO-uitkering aan werkneemster en die kennelijk ertoe strekken te betogen dat aan werkneemster ten onrechte een uitkering is toegekend. In artikel 87e van de WAO is evenwel, voor zover hier van belang, geregeld dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 75a, vierde lid, van de WAO bedoelde betaling, niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De Raad merkt nog op dat het besluit van 14 oktober 2004, waarmee aan werkneemster WAO-uitkering is toegekend, in rechte is komen vast te staan.

4.6. Ten slotte is de Raad van oordeel dat ook de beroepsgrond van appellante, inhoudend dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster niet kan worden gerelateerd aan het werk in de onderneming van appellante, niet kan slagen. Blijkens de in artikel 75a van de WAO vermelde voorwaarden is voor toerekening van de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan een eigen risicodrager slechts vereist dat het moet gaan om een arbeidsongeschiktheidsuitkering die is toegekend aan een werknemer die op de eerste dag van ongeschiktheid in dienstbetrekking stond tot de werkgever en ter zake van die arbeidsongeschiktheid de wettelijke wachttijd heeft doorgemaakt. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid speelt daarbij geen rol, net zo min overigens als die oorzaak, enkele specifieke in de wet voorziene uitzonderingen daargelaten, een rol speelt bij de beoordeling of een verzekerde recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De beroepsgrond dat appellante niet de kans heeft gehad om de arbeidsongeschiktheid, door middel van het leveren van re-integratie-inspanningen te voorkomen faalt eveneens, nu artikel 75a van de WAO evenmin als voorwaarde stelt dat de eigenrisicodrager aan re-integratie zou hebben kunnen bijdragen.

4.7. In het onderhavige geval is aan de in artikel 75a van de WAO vermelde voorwaarden voldaan, nu het immers gaat om een arbeidsongeschiktheidsgeval dat een aanvang heeft genomen op 24 september 2003, toen werkneemster in dienstbetrekking stond tot appellante en vervolgens, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, heeft geleid tot toekenning van uitkering per 22 september 2004.

4.8. Uit rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep van appellante geen doel treft, in verband waarmee de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

JL