Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
10-3305 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. De rapporten van Stek van 25 maart 2008 en 8 november 2010 geven naar het oordeel van de Raad blijk van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek en heeft hij zijn conclusies overtuigend gemotiveerd. Nu betrokkene voorts geen medische gegevens in geding heeft gebracht die een ander licht werpen op zijn medische situatie, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de door Stek en in navolging daarvan door Van Glabbeek getrokken conclusies. In hoger beroep is het bestreden besluit alsnog van de vereiste motivering voorzien. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3305 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2010, 08/3244 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek van 15 juli 2010 overgelegd.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend door mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam.

Bij brief van 25 november 2010 heeft appellant aanvullende stukken, waaronder een rapport van psychiater prof. dr. M.L. Stek van 8 november 2010 en een rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek van 25 november 2010, in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning. Namens betrokkene is mr. Van Andel verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft appellant - voor zover hier van belang - gehandhaafd zijn besluit van 19 juni 2008. Bij laatstgenoemd besluit heeft appellant geweigerd aan betrokkene met toepassing van artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 28 december 2003 een WAO-uitkering toe te kennen. Volgens appellant was er gelet op de voorhanden zijnde medische stukken na 28 december 2003 geen periode aan te wijzen waarin betrokkene langer dan vier weken wegens dezelfde ziekteoorzaak, op grond waarvoor destijds WAO-uitkering aan betrokkene was toegekend, arbeidsongeschikt was. Voorts heeft appellant, ten overvloede, opgemerkt dat hij aan betrokkene over de periode 13 mei (lees: maart) 2004 tot en met 19 april (lees: maart) 2004 op grond van de Ziektewet (ZW) ziekengeld heeft uitbetaald, hij geregistreerd heeft dat betrokkene per laatstgenoemde datum hersteld was en dat betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze periode van ZW-uitkering, zodat hij er vanuit mocht gaan dat betrokkene deze ziektewetperiode heeft geaccepteerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het door betrokkene tegen het besluit van 1 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. De rechtbank is in deze uitspraak, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat het dossier geen medische informatie over de ziekteperiode op en na 13 maart 2004 bevat en appellant de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten aanzien van die ziekteperiode onvoldoende medisch heeft onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de conclusies van de door appellant ingeschakelde psychiater prof. dr. M.L. Stek zijn gebaseerd op de medische situatie van betrokkene in maart 2008 en derhalve niet zien op de data hier in geding en Stek de verklaring van psychiater H. Loen, waaruit blijkt dat in maart 2007 sprake was van een verslechtering van de medische situatie van betrokkene, niet nader heeft onderzocht en/of heeft besproken, zodat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten aanzien van de periode op en na 26 maart 2007 dan wel op en na 9 juli 2007 eveneens een voldoende medische onderbouwing ontbeert.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende medisch onderbouwd was ten aanzien van de ziekteperiode op en na 13 maart 2004 (de datum waarop betrokkene zich vanuit de Werkeloosheidswet heeft ziek gemeld), op en na 26 maart 2007 (de datum waarop betrokkene naar een psychiater is doorverwezen) dan wel op en na 9 juli 2007 (de datum van de WAO-aanvraag) en dit oordeel gemotiveerd bestreden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat het hoger beroep zich niet langer richt op betwisting van het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek maar dat hij van mening is dat met het aanvullend rapport van psychiater Stek van

8 november 2010 dit gebrek is geheeld.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Op verzoek van verzekeringsarts S. Lok heeft psychiater Stek op 20 maart 2008 een psychiatrische expertise verricht bij betrokkene. Daartoe heeft Stek het door appellant aan hem toegezonden dossier bestudeerd, waaronder de informatie van zenuwarts Loen, en betrokkene onderzocht, in aanwezigheid van een onafhankelijke Marokkaanse tolk. Op 25 maart 2008 heeft Stek een expertiserapport uitgebracht. Daarin heeft hij als volgt geconcludeerd: “Vanuit de verrichte diagnostiek is er op dit moment weinig argumentatie voor het bestaan van een ingrijpende psychiatrische stoornis die grote effecten heeft op het functioneren van betrokkene op de belangrijkste levensterreinen. Er is evenmin een dwingend advies naar psychiatrische behandeling. (…) De voornaamste problematiek lijkt te liggen op het rand van het sociaal-maatschappelijke problemen, verslavingstendens en impulscontroleproblematiek, in samenhang met de premorbide persoonlijkheidstructuur.”

4.2. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek bij brief van 19 augustus 2010 Stek verzocht een uitspraak te doen over de aard en ernst van de psychiatrische problematiek/DSM-IV diagnosen van betrokkene op de data in geding. Als bijlage bij deze brief heeft Van Glabbeek diverse gedingstukken meegezonden. Bij rapport van 8 november 2010 heeft Stek - voor zover hier van belang - als volgt geantwoord: “Ik vond in mijn onderzoek destijds, noch in de uitgebreide begeleidende informatie, aanwijzingen, dat er sprake was van grote veranderingen wat betreft de diagnostiek in de voorafgaande jaren ten opzichte van de onderzoeksdatum. Het is uiteraard altijd moeilijk retrospectief een uitspraak te doen over voorgaande episodes, doch vanuit de beschikbare informatie en vanuit de anamnese komen er aldus beslist geen aanwijzingen naar voren dat er sprake is geweest van een wezenlijk ander beeld in de jaren voorafgaande aan het door mij verrichte onderzoek in 2008. Betrokkene zelf bevestigde dit overigens ook, er was geen duidelijke verbetering of verslechtering geweest ten opzichte van voorgaande episodes, hij ervoer en voortdurende patroon van de genoemde klachten. Al met al is het buitengewoon weinig aannemelijk dat er sprake was van een duidelijk andere situatie wat betreft psychiatrische diagnostiek op de genoemde data 13 maart 2004, 26 maart 2007 en 9 juli 2007.”.

4.3. Op 25 november 2010 heeft Van Glabbeek gerapporteerd dat het rapport van Stek zijn op 15 juli 2010 getrokken conclusie bevestigt dat het gezien de bevindingen (chronische problematiek) niet aannemelijk is dat het medisch beeld zich op en na 13 maart 2004, op en na 26 maart 2007 dan wel op en na 9 juli 2007 heeft gewijzigd. Tot slot heeft hij geconcludeerd dat er geen aanleiding is om op medische gronden een andere beslissing te nemen.

4.4. De Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van Van Glabbeek voor onjuist te houden. Van Glabbeek heeft op grond van de resultaten van eigen onderzoek en de expertiseverslagen van Stek vastgesteld dat er op en na 13 maart 2004, op en na 26 maart 2007 dan wel op en na 9 juli 2007 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de psychische klachten van betrokkene. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij terecht aansluiting gezocht bij de conclusies van Stek. Anders dan de gemachtigde van betrokkene ter zitting heeft gesteld, geven de rapporten van Stek van 25 maart 2008 en 8 november 2010 naar het oordeel van de Raad blijk van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek en heeft hij zijn conclusies overtuigend gemotiveerd. Nu betrokkene voorts geen medische gegevens in geding heeft gebracht die een ander licht werpen op zijn medische situatie op de data hier in geding, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de door Stek en in navolging daarvan door Van Glabbeek getrokken conclusies.

4.5. Nu in hoger beroep het bestreden besluit alsnog van de vereiste motivering is voorzien acht de Raad toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 17, eerste lid, van de Beroepswet, in de rede liggen, ingevolge welke voorschriften de Raad kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. Het in 4.1 tot en met 4.5 overwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten, behoudens voorzover appellant daarbij opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6. De Raad ziet aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover deze ziet op de weigering met ingang van een datum gelegen na 23 december 2003 artikel 43a, eerste lid, van de WAO toe te passen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

KR