Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
10-2045 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2045 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 maart 2010, 10/340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door H.A.H.M. Koolen. Voor het Uwv is verschenen L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2009 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard vanwege onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 20 januari 2010 ongegrond verklaard. Het oordeel van de rechtbank komt er - kort weergegeven - op neer dat het bezwaarschrift van 7 januari 2009 niet binnen de termijn, gesteld in artikel 6:7 jo artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is ingediend. Van een reden om de termijnoverschrijding ingevolge artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten is de rechtbank, in navolging van het Uwv, niet gebleken.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat nu er geen vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting bij de rechtbank aanwezig was de (inhoudelijke kant van de) zaak door appellant en de rechter niet met het Uwv kon worden besproken. Verder is gesteld dat overweging 4 in de aangevallen uitspraak betreffende de termijnoverschrijding niet juist is en zijn de in beroep aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding herhaald.

4.1. De Raad ziet geen aanknopingspunt om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat het Uwv door de rechtbank niet was opgeroepen ter zitting te verschijnen. Daaruit is af te leiden dat de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting door de rechtbank niet noodzakelijk werd geacht om tot een verantwoorde oordeelsvorming te komen. De Raad voegt hieraan toe dat in de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank uitdrukkelijk is vermeld dat tijdens de behandeling ter zitting van de rechtbank uitsluitend de ontvankelijkheid van het bezwaar ter sprake zal komen en inhoudelijke behandeling dus niet zal plaatsvinden.

4.3. De Raad overweegt verder dat de rechtbank in overweging 4 terecht heeft aangegeven dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 20 oktober 2009 is aangevangen op 21 oktober 2009 en is geëindigd op 1 december 2009. Het bezwaarschrift van 7 januari 2010, door het Uwv ontvangen op 11 januari 2010, is derhalve buiten de termijn van zes weken ingediend.

4.4. De Raad onderschrijft voorts het oordeel, en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde redenen voor het buiten de termijn van zes weken indienen van het bezwaarschrift niet tot de conclusie leiden dat de termijnoverschrijding onder toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is te achten. De Raad voegt hieraan toe dat het geen aanbeveling verdient dat het Uwv de bezwaarclausule op de achterzijde van een besluit vermeldt. Dat neemt evenwel niet weg dat appellant bij een zorgvuldige lezing van het volledige besluit van 20 oktober 2009 de bezwaarclausule had moeten opmerken. De Raad merkt in dit verband op dat de ondertekening van het besluit zich eveneens - onder de bezwaarclausule - op de achterzijde van het eerste blad van het besluit van 20 oktober 2009 bevindt en het besluit bovendien is genummerd, waarbij de achterzijde is genummerd als blad 2 van 3.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR