Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
10-3810 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3810 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2010, 09/1931 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij brief van 7 november 2007 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om terug te komen van zijn besluit van 12 maart 2003 waarbij is geweigerd aan hem per 11 juli 1994 een ZW-uitkering toe te kennen. Dat weigeringsbesluit is door het Uwv gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 19 januari 2004. Bij uitspraak van 29 maart 2005 heeft de rechtbank Amsterdam appellants beroep tegen dat besluit op bezwaar ongegrond verklaard en bij uitspraak van 17 oktober 2007 heeft de Raad - beslissend op het door appellant daartegen ingestelde hoger beroep - die rechtbank-uitspraak bevestigd.

2. Bij brief van 7 november 2007 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om aan hem in verband met zijn ziekte sinds 11 juli 1994 een WAO-uitkering toe te kennen. Dit verzoek is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 14 juli 2005. Bij besluit van 3 september 2008 heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd terug te komen van dat besluit.

3. Bij besluit van 3 april 2009 heeft het Uwv - dat inmiddels heeft onderkend dat voor het besluit van 14 juli 2005 moet worden gelezen zijn hiervoor in overweging 1 vermelde besluit van 12 maart 2003 subsidiair zijn eveneens hiervoor in overweging 1 vermelde besluit op bezwaar van 19 januari 2004 -, in overeenstemming met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zoals vermeld in diens rapport van 25 maart 2009, appellants bezwaar tegen het besluit van 3 september 2008 ongegrond verklaard onder overweging dat de door appellant ter ondersteuning van zijn verzoek ingebrachte medische informatie geen nieuw inzicht geeft in zijn gezondheidssituatie op de datum in geding (11 juli 1994).

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 april 2009 ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van psychiater Zaki Guemmi, bij wie hij eerst sinds 2005 in behandeling is, bevatten geen gegevens met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op 11 juli 1994.

Dat geldt evenzeer voor de door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van neuro-psychiater Talhaoui Saeyd, bij wie appellant pas sinds kort in behandeling is. In die verklaring is weliswaar vermeld dat appellant sinds 1992 ernstige klachten heeft, maar van onderbouwing met feiten of verklaringen uit die tijd is geen sprake.

De door appellant in beroep overgelegde, van 18 juni 2009 en later daterende verklaringen van neuro-psychiater Talhaoui Saeyd zien op appellants medische situatie op dat moment in plaats van op 11 juli 1994. De door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn huisarts Omari Azeddine van 12 maart 2009 houdt in dat hij appellant heeft gevolgd vanaf 11 juli 1994, maar een soortgelijke verklaring van deze huisarts is ook al betrokken in de procedure tegen het besluit van 12 maart 2003.

Appellant heeft dan ook geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb aangevoerd en het Uwv was dan ook bevoegd om appellants verzoek met toepassing van dat artikel af te wijzen, aldus de rechtbank.

5. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij, sinds hij in 1994 ziek is geworden, niet kan werken, zoals zijns inziens blijkt uit de door hem overgelegde medische gegevens.

6. De Raad overweegt het volgende.

Dit geschil wordt beheerst door de vraag of terecht en op goede gronden is geoordeeld dat het bij de door appellant - ter onderbouwing van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2003 waarbij is geweigerd hem per 11 juli 1994 een ZW-uitkering toe te kennen subsidiair het besluit op bezwaar van 19 januari 1994 waarbij dat primaire besluit is gehandhaafd - ingebrachte medische gegevens niet gaat om een of meer nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de door de rechtbank gebezigde overwegingen daartoe. Dat oordeel is in overeenstemming met de vaste rechtspaak van de Raad met betrekking tot dat artikel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is dan ook geen grond te zien om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Bij de overwegingen van de rechtbank tekent de Raad nog wel aan dat de door appellant eerst in beroep ingebrachte medische gegevens niet in de beoordeling (hadden) mogen worden betrokken, aangezien die bij het nemen van het besluit op bezwaar van 3 april 2009 niet aan het Uwv ter beschikking hebben gestaan, zodat daarmee bij het nemen van dat besluit geen rekening is kunnen worden gehouden. Aangezien, gelet op die overwegingen, niet aan enige twijfel onderhevig is dat het oordeel van de rechtbank niet anders zou zijn geweest, indien zij die door appellant eerst in beroep ingebrachte medische gegevens geheel buiten beschouwing zou hebben gelaten, ziet de Raad in die onvolkomenheid geen aanleiding om over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. Bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM