Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
10-5220 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Naar het oordeel van de Raad is appellant met de ongedateerde brief in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Het heeft de gemachtigde van appellant duidelijk moeten zijn dat de termijn uiterlijk op 16 juli 2009, de dag van ontvangst van deze brief, is aangevangen, en deze vier weken na die datum zou verstrijken. De Raad overweegt - in navolging van de rechtbank - dat de gemachtigde er zonder tegenbericht niet van uit mocht gaan dat de termijn voor het indienen van de gronden zou worden verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5220 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 augustus 2010, 09/2400 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 9 juli 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Appellant heeft een bezwaarschrift ingediend. Bij ongedateerde brief, door appellants gemachtigde ontvangen op 16 juli 2009, heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de gronden van het bezwaar ontbreken en hem in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en dit verzuim niet is hersteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbak heeft het appellant duidelijk moeten zijn dat het verzuim binnen vier weken had moeten worden hersteld. De toenmalige gemachtigde van appellant diende zich ervan te vergewissen of hem een nieuwe termijn zou worden geboden. Zonder tegenbericht mocht hij er niet van uitgaan dat een langere termijn zou worden geboden dan vier weken na ontvangst van de brief.

3.1. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de niet-ontvankelijkverklaring het gevolg is van een onzorgvuldige handelwijze van het Uwv. Het Uwv heeft geen geldige hersteltermijn gesteld, aangezien de dagtekening ontbrak. Daardoor kon de termijn voor het indienen van de gronden niet worden vastgesteld. De gemachtigde van appellant heeft na ontvangst van de ongedateerde brief hierover telefonisch en per fax contact opgenomen met het Uwv. Doordat het Uwv de fax verkeerd had gearchiveerd, heeft appellant hier geen reactie op gekregen.

3.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Appellant heeft redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de herstelverzuimtermijn eerder dan 16 juli 2009 is aangevangen.

Volgens het Uwv is de ongedateerde brief op 14 juli 2009 verzonden. De gemachtigde van appellant heeft zich er ten onrechte niet van vergewist hoe lang de hersteltermijn zou zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Niet in geschil is dat appellant heeft verzuimd de gronden van het bezwaar in te dienen. Voorts is niet in geding dat de gemachtigde van appellant de ongedateerde herstelverzuimbrief op 16 juli 2009 heeft ontvangen. Tussen partijen is in geschil of appellant in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, als bedoeld in artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. Naar het oordeel van de Raad is appellant met de ongedateerde brief in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. De Raad volgt de overweging van de rechtbank dat het de gemachtigde van appellant duidelijk heeft moeten zijn dat de termijn uiterlijk op 16 juli 2009, de dag van ontvangst van deze brief, is aangevangen, en deze vier weken na die datum zou verstrijken. Appellant heeft gewezen op zijn faxbericht van 17 juli 2009 waarbij het Uwv is verzocht om een nieuwe termijn te stellen. De Raad overweegt - in navolging van de rechtbank - dat de gemachtigde er zonder tegenbericht niet van uit mocht gaan dat de termijn voor het indienen van de gronden zou worden verlengd. Derhalve was het Uwv bevoegd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.3. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de handelwijze van het Uwv, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T. Dolderman.

JL