Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
08-4322 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere bijstand voor betaling griffierecht in civiele zaken van gedetineerde; toegang tot de rechter; primair wenden tot de griffie van de civiele sector van de rechtbank/ gerechtshof. Appellant heeft tijdens zijn detentie bijzondere bijstand verzocht ter betaling van griffierecht in een civiele procedure die een verzekeringsmaatschappij tegen hem heeft aangespannen. De kosten van het griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep zijn uiteindelijk door zijn advocaat voorgeschoten. Volgens het College en de rechtbank is geen sprake van zeer dringende redenen om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht te verlenen. De Raad onderschrijft dat oordeel.

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 25
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/96
RSV 2011/149
NJB 2011, 753
USZ 2011/95
JB 2011/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4322 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2008, 07/2001 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 25 juli 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in verband met een civiele procedure die door een verzekeringsmaatschappij tegen hem aanhangig is gemaakt.

1.2. Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant sinds 2002 is gedetineerd en geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht heeft op bijstand. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand.

4.2. Artikel 16, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van deze paragraaf bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij als gedetineerde niet beschikt over vermogen of eigen inkomsten om de kosten van het griffierecht in een civiele procedure, waarin hij door een verzekeringsmaatschappij is betrokken, te voldoen. Het gaat in het bijzonder om het door hem verschuldigde griffierecht bij de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De Raad ziet met de rechtbank, en op basis van de door haar gegeven overwegingen, geen grond voor het oordeel dat hier sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Daartoe bestaat naar het oordeel van de Raad te minder aanleiding nu de betreffende kosten door de advocaat van appellant zijn voorgeschoten.

4.4. Appellant heeft voorts gesteld dat hem door weigering van bijzondere bijstand voor de betaling van griffierechten in feite het recht op toegang tot de rechter, en daarmee het recht op rechtsbescherming wordt ontzegd. Dit is volgens hem in strijd met het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. De Raad kan appellant in die zienswijze niet volgen. Appellant ziet er immers aan voorbij dat hij zich ter waarborging van dat recht primair dient te wenden tot de griffier van de rechterlijke instantie waar hij de gestelde procedure(s) voert. De betreffende griffier heft het griffierecht en doet dit met inachtneming van de (grond)rechten van de betrokken personen. De Raad wijst erop dat deze griffier onder omstandigheden uitstel van betaling kan verlenen en dat degene die een laag of gemiddeld inkomen heeft in aanmerking kan komen voor vermindering van griffierechten. Voorts kan degene die griffierecht heeft betaald tegen de beslissing tot heffing van griffierecht in verzet komen. De Raad volstaat verder met verwijzing naar artikel 25, eerste lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken, thans artikel 29, eerste lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

4.5. Appellant heeft tot slot nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Betoogd is, kort gezegd, dat een niet-gedetineerde met een inkomen op bijstandsniveau voor de kosten van griffierecht bijzondere bijstand kan verkrijgen, terwijl een onvermogende gedetineerde, zoals appellant, daarop geen aanspraak kan maken. Naar het oordeel van de Raad is de situatie waarin appellant als gedetineerde verkeert evenwel in een aantal opzichten niet vergelijkbaar met die van een niet-gedetineerde. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is derhalve geen sprake.

4.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

HD