Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
08-6204 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hoewel uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 veel kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan, kunnen in de onderzoeksgegevens geen aanknopingspunten worden gevonden voor het standpunt van het College dat sprake is geweest van doorlopende autohandel. De enkele omstandigheid dat de onderneming in het handelsregister van de KvK stond ingeschreven kan onvoldoende feitelijke grondslag ontlenen voor het standpunt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het recht op bijstand over een bepaalde periode is wel vast te stellen, want appellant was gedurende de periode gedetineerd. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit met aanwijzingen van de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6204 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 september 2008, 08/184 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G.E. van Dooren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Dooren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Lambers, werkzaam bij de gemeente Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 13 juli 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellant gedurende de periode van 21 augustus 2006 tot en met 14 september 2006 gedetineerd was, heeft de sociale recherche van de gemeente Weert een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn het SUWI-net, het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) en het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) geraadpleegd, is de vader van appellant, [naam vader], gehoord en heeft appellant een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juli 2007.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 9 juli 2007 de bijstand van appellant met ingang van 12 april 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 tot een bedrag van € 18.530,69 van hem terug te vorderen. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant over de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 geen recht had op bijstand vanwege het beschikken dan wel redelijkerwijs kunnen beschikken over een meer dan bescheiden vermogen, het al dan niet in samenwerking met [M.] handelen in personenauto’s en het vanaf 14 februari 2006 als zelfstandig ondernemer ingeschreven staan bij de KvK.

1.4. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft bij het besluit op bezwaar de grondslag van de intrekking met ingang van 12 april 2005 gewijzigd in die zin dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de handel in auto’s en het hebben van diverse auto’s op zijn naam, van de inschrijving als zelfstandig ondernemer bij de KvK en van de door hem ontvangen inkomsten van uitzendbureaus en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), waardoor het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 12 april 2005 tot en met 9 juli 2007.

4.2. Het College heeft aan de intrekking feitelijk ten grondslag gelegd dat gedurende de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 sprake was van doorlopende autohandel. De Raad is van oordeel dat, hoewel uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 veel kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan, in de onderzoeksgegevens geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het standpunt van het College dat sprake is geweest van doorlopende autohandel. Hieruit vloeit voort dat het College aan de intrekking van de bijstand met ingang van 12 april 2005 niet ten grondslag heeft kunnen leggen dat appellant gedurende de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van doorlopende handel in auto’s en autobezit.

4.3. Het College heeft aan de intrekking verder ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 14 februari 2006 als zelfstandig ondernemer stond ingeschreven bij de KvK. Hoewel appellant hiervan bij het College geen melding heeft gemaakt, is de Raad van oordeel dat het College aan de enkele omstandigheid dat de onderneming met de handelsnaam ‘[handelsnaam]’ in het handelsregister van de KvK stond ingeschreven onvoldoende feitelijke grondslag kan ontlenen voor het standpunt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand met ingang van 14 februari 2006 niet (meer) is vast te stellen.

De Raad acht daarbij van belang dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat appellant in dat kader enige activiteit of werkzaamheid heeft ontplooid.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat over de periode van 21 augustus 2006 tot en met 14 september 2006 het recht op bijstand niet is vast te stellen. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant in de periode van 21 augustus 2006 tot en met 14 september 2006 gedetineerd is geweest. Hieruit vloeit voort dat appellant gedurende deze periode op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht had op bijstand.

4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat de bij besluit van 18 december 2007 gehandhaafde intrekking met ingang van 12 april 2005 niet berust op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 18 december 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken met ingang van 12 april 2005 en voor zover daarbij de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 april 2005 tot en met 21 januari 2007 zijn teruggevorderd.

5. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en met inachtneming van de onder 5.1 tot en met 5.4 gegeven aanwijzingen.

5.1. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van april 2005 tot en met januari 2007 veel kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan en dat de tenaamstellingen veelal van korte duur zijn geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2009, LJN BK8386) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s transacties hebben plaatsgevonden en dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Uit de gegevens van de RDW kan worden afgeleid dat in de maanden april, juni en augustus tot en met november 2005, februari, april, mei, augustus tot en met september en november 2006 en januari 2007, transacties hebben plaatsgevonden. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de transacties in de hiervoor genoemde maanden. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand bestond. Appellant is hierin niet geslaagd. De stelling van appellant dat hij bij wijze van vriendendienst de auto’s op zijn naam heeft laten registreren om vervolgens zijn oom, [naam oom], wonende te Marokko, daarmee te laten handelen, acht de Raad gelet op het aantal transacties niet aannemelijk. De schriftelijke verklaringen van [naam oom] van 10 augustus 2007 en van 13 november 2007 maken dat niet anders. Nu voorts controleerbare gegevens over de transacties, waaronder begrepen gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten, ontbreken, kan het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden, met uitzondering van de periode van 21 augustus 2006 tot en met 14 september 2006, niet meer worden vastgesteld. Ten aanzien van de periode van 21 augustus 2006 tot en met 14 september 2006 heeft de Raad reeds onder 4.3 overwogen dat appellant gedurende deze periode, vanwege zijn detentie, welke hij bovendien niet bij het College heeft gemeld, op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht had op bijstand. Het voorgaande betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt voldaan, zodat het College bevoegd is tot intrekking van de bijstand over de maanden april, juni en augustus tot en met november 2005, februari, april, mei, augustus tot en met september en november 2006 en januari 2007.

5.2. Met betrekking tot de maanden waarin ten tijde in geding geen transacties hebben plaatsgevonden - de maanden mei, juli en december 2005 en januari, maart, juni, juli, oktober en december 2006 - overweegt de Raad het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in de maanden december 2005 en januari 2006 inkomsten heeft genoten van respectievelijk € 748,-- en € 104,-- en dat appellant van deze inkomsten geen mededeling heeft gedaan. Hieruit vloeit voort dat appellant ten aanzien van voornoemde inkomsten de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het College ten aanzien van deze inkomsten op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de bijstand van appellant over de maanden december 2005 en januari 2006 te herzien.

5.3. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking, herziening en terugvordering gebruik zal kunnen maken.

5.4. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal het College ook een beslissing moeten nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 december 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

RB