Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
09-5644 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het recht op ziekengeld: appellant wordt niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellant op 20 november 2008 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Appellant is op 19 november 2008 op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen waar een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De bva heeft dit herhaald op 5 december 2008 en tevens informatie opgevraagd en verkregen van de huisarts van appellant. Bij de herbeoordeling heeft de bva deze informatie en de overige door appellant aangevoerde lichamelijke en psychische klachten betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5644 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 september 2009, 09/136 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij een op 17 januari 2011 ingekomen brief, waarbij gevoegd een rapportage van de sportartsen drs. J. Stomphorst en drs. J.A. Snoek van 16 augustus 2010, heeft appellant de Raad nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar, gedateerd 22 december 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard dat was gericht tegen het besluit van 19 november 2008 tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 20 november 2008. Appellant is per die datum niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als vrachtwagenchauffeur (gedurende 20 uur per week).

1.2. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts appellant hebben onderzocht kort vóór, respectievelijk kort na de datum hier in geding. De bezwaarverzekeringsarts, die voorts kennis heeft genomen van het destijds beschikbare dossier waarin ook informatie van de huisarts van appellant aanwezig was, is tot de conclusie gekomen dat er ten aanzien van de lichamelijke klachten geen afwijkingen/beperkingen zijn gevonden en dat er wat de geconstateerde spanningsklachten betreft geen sprake is van psychopathologie. Ten tijde van de datum in geding was er geen lopend behandeltraject van appellant vanuit de curatieve sector. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn dat appellant structurele beperkingen heeft. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er sprake is geweest van een voldoende diepgaand onderzoek en dat de daaruit getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. Het door appellant ingebrachte rapport van psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle van 17 april 2007 werpt volgens de rechtbank geen ander licht op de belastbaarheid van appellant per 20 november 2008.

2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen, artsen allerlei onwaarheden hebben mogen rapporteren en omdat het voor hem moeilijk is om in korte tijd een vertrouwensrelatie op te bouwen met een arts. Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij last heeft van vermoeidheid, hetgeen wordt bevestigd door de overgelegde rapportage van de sportartsen van 16 augustus 2010, en dat er sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), zoals in 2010 is vastgesteld door een psycholoog.

3. Het Uwv heeft gewezen op het bij het bestreden besluit behorende rapport van bezwaarverzekeringsarts A. Laros van 18 december 2008 en op het nadere rapport van bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter van 15 mei 2009. Op 21 juli 2008 heeft appellant zich ziek gemeld. In een brief van 12 december 2008 heeft de huisarts aan bezwaarverzekeringsarts Laros meegedeeld dat hij appellant in juli 2008 heeft gezien wegens rug- en beenklachten, aangeduid als reactieve artritis. Na het onderzoek naar aanleiding van oorklachten vanaf augustus 2008 is, na onderzoek door de KNO-arts, geconstateerd dat er geen afwijkingen waren. Over psychische klachten van appellant naar aanleiding van een trauma in militaire dienst is de huisarts niets bekend. In de periode na eind september 2008 tot 12 december 2008 is appellant niet meer op het spreekuur van de huisarts geweest. Gelet op alle van belang zijnde informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geen medisch argument aanwezig geacht om appellant per datum in geding verdergaand beperkt te achten op het fysieke of psychische vlak zoals appellant wenst. Daarbij heeft hij onderkend dat er naast lichamelijke ook psychische klachten zijn. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat deze klachten geen aanknopingspunten opleveren om per de datum in geding structurele beperkingen aan te nemen die appellant belemmeren zijn arbeid te verrichten.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding de conclusies van de bezwaarverzekeringsartsen als vermeld in de rapporten van 18 december 2008 en 15 mei 2009 voor onjuist te houden. De Raad constateert dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant op 20 november 2008 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Appellant is op 19 november 2008 op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen waar een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit herhaald op 5 december 2008 en tevens informatie opgevraagd en verkregen van de huisarts van appellant. Bij de herbeoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts deze informatie en de overige door appellant aangevoerde lichamelijke en psychische klachten betrokken.

4.2. In de brief van de huisarts van 12 december 2008 is weliswaar vermeld dat appellant heeft aangegeven dat hij al heel lang moe is, maar een medische behandeling naar aanleiding daarvan heeft rond de datum in geding niet plaatsgevonden. Terecht heeft het Uwv ter zitting opgemerkt dat appellant in zijn bezwaarschrift van 19 november 2008 en in de fase van beroep bij de rechtbank geen melding heeft gemaakt van relevante vermoeidheidsklachten. Eerst naar aanleiding van de rapportage van de sportartsen van 16 augustus 2010 heeft appellant vermoeidheidsklachten aangevoerd. De Raad heeft kennisgenomen van de desbetreffende gegevens die appellant heeft verstrekt middels de rapportage van de sportartsen van 16 augustus 2010, waarin is vermeld dat appellant op evengenoemde datum een eerste inspanningstest heeft verricht in het kader van begeleiding bij chronische vermoeidheid. Deze, niet nader onderbouwde, informatie kan naar het oordeel van de Raad niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden. Uitgaande van de beschikbare gegevens stelt de Raad vast dat niet op basis van concreet, verifieerbaar medisch onderzoek is gebleken dat er ten tijde in geding sprake was van relevante vermoeidheidsklachten bij appellant. De sportartsen hebben zodanig onderzoek niet verricht.

4.3. In reactie op het in beroep door appellant overgelegde expertiserapport van psychiater Van Marle heeft bezwaarverzekeringsarts De Kanter in zijn rapport van 15 mei 2009 vermeld, dat is vastgesteld dat appellant een persoonlijkheidsstoornis heeft met een aantal kenmerken. Deze problematiek staat op de voorgrond en is bepalend voor de onderhavige situatie. Uit het rapport van Van Marle volgt dat appellant, bezien vanaf het begin van zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur in februari 2007 tot de datum in geding, in dezelfde psychiatrische toestand verkeerde. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad terecht geconstateerd dat appellant klachten had, zoals die ook blijken uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen en van Van Marle, maar dat hij desondanks sedert februari 2007 adequaat heeft gewerkt als vrachtwagenchauffeur.

4.4. Voorts is in de op 17 januari 2011 ingekomen brief van appellant vermeld, dat in 2010 door Psychologenpraktijk Elf te Zwolle is vastgesteld dat appellant lijdt aan een PTSS. Concrete nadere informatie hieromtrent ontbreekt evenwel en ter zitting heeft appellant verklaard dat hij voor het eerst eind 2009 contact heeft gehad met de desbetreffende psycholoog. Hetgeen door appellant in dit kader naar voren is gebracht, heeft naar het oordeel van de Raad geen betrekking op de datum hier in geding. In dit verband merkt de Raad nog dat het Uwv ter zitting er op heeft geattendeerd dat psychiater Van Marle in zijn rapport van 17 april 2007 heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een PTSS.

4.5. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, mede na door hem verricht onderzoek van appellant, beschikte over de nodige medische informatie omtrent de onderhavige situatie. Vastgesteld moet worden dat appellant geen relevante medische stukken heeft ingebracht die betrekking hebben op de datum die hier in geding is. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel die tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden. De beschikbare gegevens geven geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het Uwv ten onrechte heeft vastgesteld dat er bij appellant op en na 20 november 2008 geen sprake was van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet.

4.6. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) A.A.H. Schifferstein.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM