Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
09-4442 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. De ernstige huidklachten leveren geen andere beperkingen op dan reeds bij de eerdere WAO-beoordeling in 2004 zijn vastgesteld. De in bezwaar overgelegde medische gegevens zijn bij de beoordeling meegewogen. De psychische en cognitieve klachten konden niet worden geobjectiveerd. Er is geen medische informatie naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de gezondheidssituatie (zodanig) zou zijn verergerd ten opzichte van zijn gezondheidsituatie in 2004. De Raad neemt deze overwegingen en het oordeel van de rechtbank over. Uit hetgeen appellant in hoger beroep, zonder nadere (medische) onderbouwing heeft gesteld, blijkt niet waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4442 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2009, 08/4977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als assistent bedrijfsleider bij een schoonmaakbedrijf, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) op 15 september 2003 ziek gemeld met psoriasis en gewrichtsklachten. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv appellant bij besluit van 16 juli 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van de arbeidsdeskundige P. Poortvliet van 14 juli 2004 waarin is aangegeven dat appellant ongeschikt is voor zijn maatgevende arbeid, echter dat hij voor – onder meer – de functies productieplanner/werkvoorbereider, transportplanner/medewerker bevrachting en schadecorrespondent geschikt kan worden geacht. Appellant heeft zich vervolgens wederom vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW per 11 juni 2008 ziek gemeld met spier-, pees- en gewrichtsklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur van 27 augustus 2008 bezocht van de verzekeringsarts S. van Wingerden. Deze arts is, na lichamelijk en psychisch onderzoek, tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van

3 september 2008 geschikt is te achten voor de hem in het kader van de eerdere WAO-beoordeling voorgehouden functies. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 3 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 22 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen. Daarbij heeft de rechtbank – kort weergegeven – aangetekend dat bij appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts sprake is van ernstige huidklachten die echter geen andere beperkingen opleveren dan reeds bij de eerdere WAO-beoordeling in 2004 zijn vastgesteld. De in bezwaar overgelegde medische gegevens, onder meer afkomstig van de oogarts van appellant, heeft de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling meegewogen en daarvan gemotiveerd gesteld dat deze geen zodanig ander licht werpen op de gezondheidssituatie op de datum in geding dat het Uwv op grond daarvan tot een ander oordeel had moeten komen. Met betrekking tot de door appellant naar voren gebrachte psychische en cognitieve klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat deze klachten niet bij het onderzoek door de verzekeringsarts konden worden geobjectiveerd en dat evenmin nadere stukken zijn ingebracht waaruit dergelijke klachten en stoornissen blijken. Ook anderszins is geen medische informatie naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de gezondheidssituatie van appellant rond de datum in geding (zodanig) zou zijn verergerd ten opzichte van zijn gezondheidsituatie in 2004. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv op juiste gronden heeft besloten dat appellant met ingang van 3 september 2008 geschikt kan worden geacht voor de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling geduide functies en dat hij derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden goeddeels herhaald. Deze komen erop neer dat appellant een zodanige toename van zijn beperkingen ondervindt dat hij niet in staat is de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling geduide functies te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.4. Appellant heeft in hoger beroep slechts gronden aangevoerd die ook reeds in beroep naar voren zijn gebracht en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Uit hetgeen appellant in hoger beroep, zonder nadere (medische) onderbouwing heeft gesteld, blijkt niet waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid en neemt deze over.

4.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) A.A.H. Schifferstein.

(get. N.S.A. El Hana.

CVG