Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
09-2912 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid. Het is niet aannemelijk gemaakt dat appellante op 23 juli 2007 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was haar arbeid als aardappelsorteerster te verrichten. Medisch onderzoek. Informatie van de behandelend artsen zijn betrokken bij de herbeoordeling. Voldoende mogelijkheden tot afwisseling in statische en dynamische belasting. Appellante heeft geen relevante, nieuwe medische stukken ingebracht. Ook in hoger beroep is dit niet gebeurd. Bijwerkingen medicijnen: Niet is gebleken dat zich destijds die bijwerkingen voordeden en wel zodanig dat haar belastbaarheid in relevante mate zou zijn overschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2912 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2009, 07/4858 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.H. de Haan, werkzaam bij De Groot Heupner BV te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 december 2010 heeft appellante nadere informatie doen toekomen.

Het Uwv heeft daarop gereageerd bij brief van 14 januari 2011, met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 januari 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Haan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar, gedateerd 6 november 2007 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard dat was gericht tegen het besluit van 17 juli 2007 tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 23 juli 2007. Appellante is per die datum niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid als aardappelsorteerster, in de zin van artikel 19 van de Ziektewet (ZW).

1.2. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de arbeidsdeskundige telefonisch inlichtingen heeft ingewonnen over de belasting in de functie van appellante. Volgens de rapportage van 12 maart 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij de werkgever de door de arbeidsdeskundige vastgestelde functiebelasting nogmaals geverifieerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv hiermee in voldoende mate zorgvuldig geweest, een onderzoek ter plaatse was in dit geval niet nodig. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in evengenoemde rapportage gesteld dat het werk naar eigen inzicht afwisselend staand of zittend kan worden gedaan en dat er dagelijks drie pauzes zijn. Blijkens de verzekeringsrapportage wordt een afwisseling van staan en zitten voor appellante nodig geacht. Een medische noodzaak tot het afwisselen van statische belasting met dynamische belasting ontbreekt evenwel. De stelling van appellante dat er onvoldoende vertredingsmogelijkheden in haar arbeid zijn, onderschrijft de rechtbank niet. Appellante heeft geen argumenten aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de belasting in haar arbeid anders zou zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2007 heeft de rechtbank afgeleid dat het medicijngebruik van appellante het uitoefenen van haar arbeid niet in de weg staat. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming in aanmerking genomen dat appellante geen medische stukken heeft ingebracht die twijfel kunnen doen oproepen aan de medische bevindingen en daarmee aan de vastgestelde belastbaarheid van appellante.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald hetgeen zij reeds bij de rechtbank heeft aangevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en voorts omdat bij de besluitvorming geen goed beeld bestond van de belasting in haar werk als aardappelsorteerster.

2.2. Appellante heeft aangevoerd dat uit de informatie van het Antonius Ziekenhuis van 9 maart 2007 blijkt dat er sprake is van een versterkte lendelordose (holle rug) met chronisch lage rugpijn, alsmede van een discusdegeneratie L5-S1. Hierdoor is zij niet in staat om de gehele of nagenoeg gehele dag te zitten of langere tijd te staan. Ook buigen en torderen leveren problemen op. Juist bij rugklachten is veelvuldig afwisselen van houding en ook vertreden noodzakelijk. Appellante gebruikte rond de datum in geding medicijnen, onder andere morfine, en is van mening dat dit te grote risico’s oplevert bij het werken aan een lopende band.

2.3. Voorts had naar de mening van appellante een beoordeling van haar arbeidsplaats ter plekke dienen plaats te vinden door het Uwv en had niet kunnen worden volstaan met het inwinnen van telefonische informatie daarover. De manager Personeel, Kwaliteit en Organisatie van de werkgever van appellante, met wie de arbeidsdeskundige contact heeft gehad, heeft geen opleiding gehad om de belasting in een functie te beschrijven. Bovendien, indien toch van de beschreven belasting in het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 juni 2006 zou kunnen worden uitgegaan, is ook dan de vastgestelde belastbaarheid van appellante overschreden. Zitten en staan zijn beide statische belastingen, zodat er geen afwisseling tussen statische en dynamische belasting is. In het rapport van de arbeidsdeskundige is voorts beschreven dat veelvuldig vertreden niet mogelijk is en dat er sprake is van werkgebonden, lopende bandwerk.

3.1. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat appellante geen (nieuwe) medische gegevens naar voren heeft gebracht die haar stelling onderbouwen dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Gewezen is op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2007 waarin rekening is gehouden met de informatie van de appellante behandelend neuroloog en orthopedisch chirurg van het Antonius ziekenhuis te Sneek en voorts van de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook onderkend dat appellante medicijnen gebruikte maar dat dit gebruik niet van invloed is op het uitoefenen van haar arbeid.

3.2. Voorts heeft het Uwv er op gewezen dat op verzoek van de verzekeringsarts reeds op 20 juni 2007 een arbeidskundig onderzoek naar haar arbeid heeft plaats gevonden. De arbeidsdeskundige heeft toen - telefonisch - contact opgenomen met [M.] werkzaam op de afdeling Personeel Kwaliteit Organisatie van de werkgever [naam werkgever] te [vestigingsplaats] en een beschrijving gegeven van de taak en inhoud van de arbeid van appellante. Tevens is aangegeven wat de belasting in die arbeid is en vermeld dat bij verdere navraag bij de projectleider is gebleken dat appellante vóór haar uitval op 9 oktober 2006 haar werk gedurende enkele weken naar behoren heeft verricht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft zoals blijkt uit zijn rapport van 12 maart 2009 ook - telefonisch - contact gehad met de werkgever, ditmaal met [B.], die de beschikbare functie-informatie heeft bevestigd. Het Uwv heeft nog het (aanvullend) rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 januari 2011 ingebracht. Onder verwijzing naar de eerdere arbeidskundige rapportages heeft de bezwaararbeidsdeskundige opgemerkt dat hij ondanks de klachten van appellante, in verband waarmee hij nader overleg heeft gehad met de bezwaarverzekeringsarts, en hetgeen zij overigens heeft aangevoerd van mening blijft dat voldoende informatie voorhanden was omtrent de inhoud van en belasting in de door appellante uitgeoefende functie van aardappelsorteerster. [M.] en ook [B.], met wie overleg heeft plaatsgevonden over deze functie, kenden deze functie, wisten in welke opstelling deze werd uitgeoefend en kenden de concrete werkplek. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het in het eigen werk van appellante in voldoende mate mogelijk is om statische en dynamische belasting af te wisselen, bijvoorbeeld door te vertreden. Zitten en staan kan naar eigen wens worden afgewisseld. Voorts is er onder andere ruimte om de rug goed te strekken, iets naar links en rechts te torderen met het bovenlichaam, op hakken en tenen te staan, even iets naar voren en achteren te buigen.

4.1. De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellante op 23 juli 2007 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was haar arbeid als aardappelsorteerster te verrichten. Appellante is op 17 juli 2007 op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen waar een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is herhaald door de bezwaarverzekeringsarts op 6 september 2007, die informatie heeft verkregen van de behandelend artsen van appellante en deze informatie heeft betrokken bij zijn herbeoordeling. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat er sprake is van voldoende mogelijkheden tot afwisseling in statische en dynamische belasting. Terecht heeft de rechtbank geconstateerd dat appellante geen relevante, nieuwe medische stukken heeft ingebracht die betrekking hebben op de datum die hier in geding is. Ook in hoger beroep is dit niet gebeurd. De opmerking van appellante dat de door haar gebruikte medicijnen bijwerkingen kunnen hebben, leidt niet tot het oordeel dat de belastbaarheid van haar op de datum in geding niet juist is vastgesteld. Niet is gebleken dat zich destijds die bijwerkingen voordeden en wel zodanig dat haar belastbaarheid in relevante mate zou zijn overschat.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv tevens uitgegaan van een juiste belasting in de functie van aardappelsorteerster. De Raad heeft kennisgenomen van de gegevens over de mogelijkheid tot vertreding en de andere mogelijkheden om te bewegen zoals weergegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 januari 2011. De bezwaararbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van de door appellante verstrekte gegevens overleg gehad met de bezwaarverzekeringsarts die van mening is dat de mate van bewegen zoals deze naar voren komt uit de door Meijer verstrekte informatie voor appellante voldoende afwisseling geeft tussen statische en dynamische belasting. Er is namelijk sprake van onbeperkt kunnen afwisselen van zitten en staan en bewegen van het lichaam tijdens het staan. Gelet op alle relevante informatie is er geen steekhoudend argument om te oordelen dat het Uwv bij het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste belasting in de hier van belang zijnde functie. Appellante heeft geen nader onderbouwde, concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over de belastende factoren in haar arbeid die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de (bezwaar)arbeidsdeskundigen wat dit betreft hebben vermeld in de desbetreffende rapporten voor onjuist te houden. In dit verband wijst de Raad er voorts op dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 26 oktober 2007 heeft vermeld dat een medische noodzaak voor een afwisseling tussen statische en dynamische belasting ontbreekt. De ter zitting aangevoerde stelling van appellante dat zij vanwege haar lichaamsbouw niet in staat is geweest haar functie naar behoren uit te oefenen, kan niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden dat zij alsnog per de datum in geding recht heeft op ziekengeld. De Raad stelt in dit verband vast dat blijkens de informatie van de bij het werk betrokken projectleider appellante haar functie gedurende enige tijd naar behoren heeft kunnen uitoefenen.

4.3. De Raad stelt op grond van het vorenstaande vast dat het Uwv middels de (bezwaar)arbeidsdeskundigen beschikte over de nodige arbeidskundige informatie omtrent de onderhavige situatie. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval dan ook geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel die tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) A.A.H. Schifferstein.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR