Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
08/6060 WAO-T + 08/6061 WAO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% tot 25%. Het oordeel van de door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. De beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de desbetreffende FML zijn onjuist weergegeven. Opdracht tot het herstellen van de gebreken in het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6060 WAO-T

08/6061 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2008, 07/4652 en 08/795 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 2 december 2009. Partijen zijn niet verschenen.

Het onderzoek is heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog dr. J.W. Stenvers, als deskundige bij rapport van 17 mei 2010 van verslag en advies gediend.

Partijen hebben een zienswijze met betrekking tot het rapport van de deskundige naar voren gebracht onder het inzenden van stukken.

De deskundige heeft nader gerapporteerd en vragen van de Raad beantwoord, waarop is gereageerd door partijen.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, J.R. Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 april 2007 is die uitkering met ingang van 26 juli 2007 ingetrokken op de grond dat appellante met ingang van 26 juni 2007 minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 25 september 2007 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 april 2007 ongegrond verklaard. Deze besluiten berusten op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken. Appellante heeft tegen het besluit van 25 september 2007 beroep ingesteld.

1.2. Hangende de procedure in eerste aanleg heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 april 2007 op arbeidskundige gronden alsnog gegrond verklaard en is appellante met ingang van 26 juni 2007 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank heeft het besluit van 28 januari 2008 in haar beoordeling betrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 september 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Zij heeft beslist op het verzoek van appellante een schadevergoeding toe te kennen en zij heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten, en tot betaling van het griffierecht. Het beroep tegen het besluit van 28 januari 2008 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 april 2007 en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv, W. van Duijnhoven, J.T.M. Schneijdenberg en van de bezwaarverzekeringsarts M. Carere-Vogels, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 26 juni 2007.

3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellante tegen het besluit van 28 januari 2008 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank het besluit van 28 januari 2008 ten onrechte in stand heeft gelaten. Daartoe heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Zij heeft verwezen naar haar in eerste aanleg aangevoerde stellingen en de door haar overgelegde stukken van medische aard, waaronder een brief van 10 oktober 2007 van de neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink, een rapport van 6 maart 2008 van de klinisch psycholoog drs. W.D. van der Zwaag en een rapport van 7 juli 2008 van de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen. Voorts heeft zij betoogd dat zij niet in staat is de functies te vervullen die ten aanzien van haar door het Uwv zijn geselecteerd, ter bepaling van de voor haar geldende resterende verdiencapaciteit. Zij stelt zich op het standpunt dat haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.2. De deskundige Stenvers, is in zijn rapport van 17 mei 2010, ter beantwoording van vragen van de Raad, tot de bevinding gekomen dat er bij appellante sprake is van een postwhiplashsyndroom met pijn en drukpijn, maar geen cervicale bewegingsbeperking. Dat syndroom leidt tot een verminderde belastbaarheid van nek en schoudergordel en mede gezien de cognitieve functiestoornissen is er ook sprake van een verminderde cognitieve duurbelastbaarheid van appellante. De deskundige, kennisgenomen hebbend van de gedingstukken van medische aard, waaronder de rapporten van de verzekeringsartsen en van de bezwaarverzekeringsarts, alsmede de rapporten die van de zijde van appellante zijn overgelegd, kan zich niet verenigen met de door de verzekeringsarts gestelde belastbaarheid van appellante. Uitgaande van de FML van 5 april 2007 meent de deskundige dat appellante beperkt is in het concentreren van aandacht en het verdelen van aandacht en dat zij beperkt is in het handelingstempo. Verder is de deskundige van oordeel dat appellante beperkt is in het lezen en het werken met toetsenbord en muis. Hij is voorts van oordeel dat appellante niet in staat is 's nachts te werken en dat zij conform eerdere belastbaarheidspatronen niet in staat geacht kan worden om meer dan 4 uur per dag en 20 uur per week te werken. Dit komt goeddeels overeen met het huidige werk van appellante, waarbij zij verder totaal ontzien moet worden om dit werk vol te houden. De vraag welke functies appellante niet kon vervullen en waarom niet heeft de deskundige niet beantwoord, omdat een hernieuwd arbeidskundig onderzoek op basis van door hem vermelde beperkingen daartoe noodzakelijk is.

4.3. In een rapport van 5 juli 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Sijben gesteld voor een groot deel zich te kunnen vinden in het rapport van de deskundige. Hij kan meegaan in de aanscherping van de beperkingen voor concentratie en aandacht. Daarom zijn in een FML van 7 juli 2010 aanpassingen verricht. Deze bezwaarverzekeringsarts ziet geen noodzaak voor een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week, omdat dit niet te onderbouwen valt aan de hand van de Standaard verminderde arbeidsduur. De gewijzigde FML heeft geen consequenties voor de eerder geduide functies. Ook appellante heeft in een brief van 18 augustus 2010 commentaar geleverd op het rapport van de deskundige. Zij is gebleven bij de eerder door haar in hoger beroep ingenomen standpunten.

4.4. Desgevraagd heeft de deskundige de reacties van partijen beoordeeld. Hij is gemotiveerd gebleven bij zijn in zijn rapport 17 mei 2010 gegeven oordeel. Zoals blijkt uit een rapport van 28 oktober 2010 is vervolgens bezwaarverzekeringsarts Sijben eveneens gebleven bij zijn, in zijn rapport van 5 juli 2010 verwoorde standpunt. Bij brief van 15 november 2010 heeft de Raad enige vragen aan de deskundige voorgelegd, die deze heeft beantwoord bij brief van 22 november 2010. Ook uit deze brief blijkt dat de deskundige onverkort vasthoudt aan zijn oordeel, neergelegd in zijn rapport van 17 mei 2010. Blijkens een rapport van 23 december 2010 is ook de verzekeringsarts Sijben bij zijn eerdere commentaren op het rapport van de deskundige gebleven.

4.5. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken doen zich niet voor. In het bijzonder doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige Stenvers op het gedeeltelijk andersluidend oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Sijben blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De kritiek van bezwaarverzekeringsarts Sijben komt erop neer dat de deskundige wat betreft de door hem noodzakelijk geachte urenbeperking, de consistentie en plausibiliteit van de klachten van appellante onvoldoende heeft gemotiveerd, hoewel deze bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 5 juli 2010 op zichzelf niet bestrijdt dat de deskundige gelijk kan hebben. De Raad stelt echter vast dat de deskundige met name in zijn rapport van 19 oktober 2010 een nadere onderbouwing heeft gegeven van zijn oordeel op dit punt. Verder neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts zich niet uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de door de deskundige noodzakelijk geachte beperkingen op de aspecten lezen, werken met toetsenbord en muis en handelingstempo. De bezwaarverzekeringsarts heeft ermee volstaan de FML op deze punten niet te wijzigen. De Raad houdt het er ook wat betreft deze punten voor dat er geen reden is het oordeel van de deskundige niet te volgen. De Raad volgt dan ook het oordeel van de deskundige met betrekking tot alle door hem besproken items van de FML. Derhalve is genoegzaam vast komen te staan dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de desbetreffende FML onjuist zijn weergegeven.

4.6. De Raad concludeert op basis van de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 dat het besluit van 28 januari 2008 niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reƫle mogelijkheid is.

4.8. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de in 4.5 aangeduide gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 28 januari 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

EK