Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
10-1050 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening buitengewoon verlof en ontzegging van de toegang tot de werkplek wegens plichtsverzuim bestaande uit seks tijdens diensttijd, het niet juist invullen van een verrichte dienst op de dienstlijst, het valselijk invullen van een kennisgeving van inbeslagname en het maken van discriminerende opmerkingen. Appellant heeft wat betreft de vermoedens van plichtsverzuim die ten aanzien van hemzelf waren gerezen geloofwaardige verklaringen gegeven. De korpsbeheerder heeft zich ten aanzien van appellant in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat verlening van buitengewoon verlof en ontzegging van de toegang tot de werkplek aangewezen waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1050 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2010, 08/1742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Terlingen, advocaat te Hoorn. De korpsbeheerder is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1992 in dienst bij de (rechtsvoorganger van de) politieregio [naam regio], laatstelijk als [functie] in de rang van hoofdagent bij het team [naam team].

1.2. Op 6 februari 2008 is appellant gehoord in verband met een oriënterend feitenonderzoek naar plichtsverzuim op last van de chef van de [naam team], waarbij onder andere aandacht is besteed aan omgangsvormen, groepscultuur, diensttijd-roostertijd en gebruik van dienstmiddelen. Van dit verhoor is een rapportage opgemaakt.

1.3. Bij besluit van 6 februari 2008 heeft de korpsbeheerder appellant met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend en hem de toegang tot de werkplek ontzegd. Ter motivering is daarbij het volgende vermeld: “Uit onderzoek is gebleken dat een aantal hondengeleiders mogelijk in diensttijd seksuele contacten heeft gehad met een jonge [naam functie] in opleiding. Dit is onwenselijk en is thans onderwerp van nader onderzoek. Tevens zijn er aanwijzingen dat bij het team hondengeleiders sprake is van een werksfeer waardoor het melden aan de leidinggevenden van misstanden of ongewenst gedrag van collega’s sterk wordt afgeremd. In het onderzoek is naar voren gekomen dat meerdere hondengeleiders zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim waardoor aanleiding wordt gezien om in de ontstane ongewenste groepscultuur in te grijpen. Deze omstandigheden geven, naar het zich thans laat aanzien, aanleiding om uw aanwezigheid bij de hondengeleiders voor de duur van het onderzoek ongewenst te achten.”

Ten aanzien van een aantal collega’s van appellant is een soortgelijk besluit genomen.

1.4. Het besluit van 6 februari 2008 is door de korpsbeheerder, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 april 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant vanwege een bevoegdheidsgebrek gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten en het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant een aantal grieven naar voren gebracht over de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Naar aanleiding daarvan overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het bestreden besluit bevat een tweetal ordemaatregelen die gebaseerd zijn op de artikelen 39, eerste lid, en 73, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie. Volgens deze artikelen kan buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat en kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Het gaat hier om bevoegdheden van discretionaire aard. In het algemeen zal het gebruik van dergelijke bevoegdheden de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan indien er sprake is van een situatie waarbij tegen betrokkene een concrete verdenking bestaat van voldoende ernstig plichtsverzuim, waarbij nader onderzoek vereist is en/of waarbij de aanwezigheid van betrokkene op de werkplek ongewenst wordt geacht. Ingevolge de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient (de handhaving van) het desbetreffende besluit voorts te berusten op een deugdelijke motivering.

3.2. De Raad is tot de slotsom gekomen dat de motivering van het primaire besluit en het bestreden besluit - in aanmerking genomen hetgeen bij de korpsbeheerder ten tijde van het nemen van deze besluiten over appellant bekend was - feitelijk onvoldoende is om die besluiten te kunnen dragen. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

3.2.1. Aan het schorsingsbesluit is een ongeveer 14 uur durend verhoor voorafgegaan, waar appellant gedetailleerd is ondervraagd over onder meer omgangsvormen, groepscultuur, zijn eigen handel en wandel en die van collega’s. Uit de rapportage van dit verhoor maakt de Raad op dat appellant zich in dat verhoor zeer coöperatief heeft opgesteld, op alle gestelde vragen is ingegaan, en wat betreft de vermoedens van plichtsverzuim die ten aanzien van hemzelf waren gerezen geloofwaardige verklaringen heeft gegeven.

3.2.2. Wat betreft het vermoeden van seks onder diensttijd heeft appellant tijdens het verhoor verklaard dat hij gedurende twee à drie maanden een (geenszins verboden) relatie heeft gehad met de bewuste [naam functie] in opleiding, maar dat daarbij geen sprake is geweest van seksuele contacten in diensttijd. De geruchten over seksuele contacten in diensttijd betreffen volgens zijn verklaring een aantal collega’s die meer recent dergelijke contacten met haar zouden hebben gehad. Daartegenover heeft de korpsbeheerder geen verklaring overgelegd waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Het enkele feit dat appellant de relatie heeft erkend is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om daarop het vermoeden te baseren dat appellant seks heeft gehad onder diensttijd en zich daarmee aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

3.2.3. Wat betreft de verdenking dat appellant een verrichte dienst niet juist op de dienstlijst heeft ingevuld, heeft appellant tijdens het verhoor naar het oordeel van de Raad geloofwaardig verklaard dat dit op een vergissing berust en dat hij dit al met zijn leidinggevende had uitgesproken. Ook hier acht de Raad onvoldoende grond aanwezig voor een vermoeden van plichtsverzuim.

3.2.4. De verdenking, ten slotte, dat appellant valselijk een kennisgeving van inbeslagname zou hebben ingevuld voor een dierenkliniek heeft appellant tijdens het verhoor niet geheel kunnen ontzenuwen, maar mede gelet op zijn aanbod om een en ander verder op te helderen acht de Raad hier niet een zodanig vermoeden van plichtsverzuim aanwezig, dat daarin op zichzelf een rechtvaardiging kan zijn gelegen voor de getroffen ordemaatregelen.

3.2.5. De Raad acht voorts van belang dat appellant, zoals hij tijdens het verhoor heeft verklaard en vervolgens in een uitvoerige - en door de korpsbeheerder niet weersproken -schriftelijke verklaring nader heeft uiteengezet, meerdere malen bij zijn leidinggevenden melding heeft gemaakt van misstanden, zoals discriminerende opmerkingen, waartegen door de leiding vervolgens niet of niet adequaat is opgetreden. De Raad leidt hieruit af dat in ieder geval van appellant niet kan worden gezegd dat hij een betekenend aandeel heeft gehad in een werksfeer waardoor het melden van misstanden of ongewenst gedrag van collega’s sterk wordt afgeremd.

3.3. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder zich ten aanzien van appellant in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlening van buitengewoon verlof en ontzegging van de toegang tot de werkplek aangewezen waren. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover aangevochten. Aangezien ook aan het primaire besluit van 6 februari 2008 een gebrek kleeft dat niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat primaire besluit herroepen.

4. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding de korpsbeheerder op grond van de artikelen 7:15, tweede lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,-, in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 6 februari 2008;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.162,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD