Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
08-5945 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te herzien, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2001 voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan die ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige geraadpleegd. Geen aanleiding van het oordeel van deze deskundige af te wijken. Het Uwv heeft terecht beslist dat er geen aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 17, vierde lid, van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/111 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5945 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2008, 06/3528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft longarts A.H.M. van der Heijden, door de rechtbank als deskundige geraadpleegd, nader gerapporteerd op 27 april 2010. Partijen hebben op dit rapport gereageerd. Appellant heeft daarbij verwezen naar een medische verklaring van dr. Mohamed Aziz Squalli.H. met bijgevoegd een print van een op 25 mei 2010 verrichte CT-scan.

De longarts Van der Heijden heeft op verzoek van de Raad op 11 oktober 2010 andermaal gerapporteerd. Partijen hebben ook op dit rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die in het verleden werkzaam is geweest als mijnwerker en later als fabrieksarbeider, is op 8 april 1975 met allergisch eczeem uitgevallen. Het Uwv heeft appellant na ommekomst van de wachttijd in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is door het Uwv laatstelijk per 1 december 1976 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant is in 1978 met behoud van uitkering geremigreerd naar Marokko.

1.2. Appellant heeft op 13 november 2001 verzocht om ophoging van zijn uitkering. Daarbij heeft hij vermeld dat zijn gezondheid vanwege maagproblemen en de longaandoening silicose is verslechterd. Het Uwv heeft bij besluit van 4 juli 2005 geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien.

1.3. Nadat de rechtbank een eerder besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2005 had vernietigd, heeft het Uwv bij besluit van 12 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2001 voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan die ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, zodat artikel 37, tweede lid, van de WAO zich verzet tegen herziening van de uitkering. Het Uwv heeft verder aangenomen dat er bij appellant geen sprake is van een beroepsziekte als bedoeld in artikel 17, vierde lid, van de WAO. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de bevindingen bij medisch onderzoek door de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) evenals de ingebrachte medische gegevens van behandelaars niet wijzen in de richting van de longaandoening silicose. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming longarts Van der Heijden geraadpleegd. Omdat volgens appellant zijn gezondheidstoestand hem belette te reizen, heeft de rechtbank Van der Heijden verzocht op basis van de medische stukken in het dossier, waaronder een thoraxfoto, een oordeel te vellen. De deskundige, die stelde over voldoende informatie te beschikken om tot een gefundeerd oordeel te komen, heeft op 28 november 2007 aan de rechtbank gerapporteerd. Van der Heijden heeft geen aanwijzingen gevonden dat appellant aan de longaandoening silicose lijdt. Naar de mening van de deskundige is er veeleer sprake van COPD.

2.2. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de deskundige. Appellant heeft bij schrijven van 25 maart 2008 onder verwijzing naar een bijgevoegde medische verklaring van 11 maart 2008 van radioloog dr. Mohamed Aziz Squalli.H., met een begeleidende thoraxfoto, en een verklaring van longarts Bouziane Ouaritini, gedateerd

13 maart 2008, betoogd dat hij wel degelijk lijdt aan de longaandoening silicose.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van haar deskundige. De rechtbank heeft in de ingezonden informatie van radioloog Mohamed Aziz Squalli.H. en longarts Bouziane Ouaritini geen argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van Van der Heijden, omdat daaruit geen andere informatie blijkt dan welke in het dossier aanwezig is en door de deskundige bij zijn beoordeling is betrokken.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het rapport van Van der Heijden. Appellant heeft herhaald dat uit de door hem bij schrijven van 25 maart 2008 toegezonden medische verklaringen van behandelaars genoegzaam blijkt dat hij aan de longaandoening silicose lijdt.

3.2. Op verzoek van de Raad heeft longarts Van der Heijden de, niet eerder aan hem voorgelegde, medische verklaringen van radioloog Mohamed Aziz Squalli.H. en longarts Bouziane Ouaritini beoordeeld, alsmede de begeleidende thoraxfoto. Bij verslag van 27 april 2010 heeft Van der Heijden aan de Raad gerapporteerd. Hoewel de deskundige erop attendeerde dat hij niet beschikte over CT-scans die vervaardigd waren in opdracht van de behandelend longarts en in opdracht van de, voor de CNSS werkzame, longarts A. Saaf, heeft hij als zijn oordeel uitgesproken dat op basis van de thoraxfoto geen aanwijzingen te herkennen zijn die de diagnose silicose ondersteunen. Verder bevatten de beschrijvingen van de longartsen Bouziane Ouaritini en Saaf geen aanwijzingen voor silicose.

3.3. Een nader door appellant ingezonden print van een op 25 mei 2010 verrichte CT-scan heeft Van der Heijden geen aanleiding gegeven zijn oordeel te herzien. Van der Heijden heeft na een multidisciplinaire beoordeling op 11 oktober 2010 gerapporteerd dat er ook op radiologische gronden geen aanwijzingen zijn voor een silicoselong.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellant is toegenomen als gevolg van de beroepsziekte silicose, zodat appellant voor het recht op herziening van zijn uitkering beschouwd wordt als ware hij verzekerd op grond van de WAO.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door Van der Heijden verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat Van der Heijden het andersluidend standpunt van radioloog Mohamed Aziz Squalli.H. en longarts Bouziane Ouaritini heeft meegewogen en daarin geen aanleiding heeft gezien zijn standpunt te herzien. De Raad neemt verder in aanmerking dat Van der Heijden de print van de op 25 mei 2010 verrichte CT-scan heeft laten beoordelen door de radiologengroep van zijn ziekenhuis, waarbij hij zich afzijdig heeft gehouden om alle mogelijke ruis te vermijden. Deze radiologen, waarvan één met volgens Van der Heijden zeer veel ervaring op het gebied van silicoselongen, hebben eveneens bevestigd dat er geen sprake is van silicose. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad bij het bestreden besluit derhalve terecht beslist dat er geen aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 17, vierde lid, van de WAO.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

TM