Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
10-3648 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden, inhoudende intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Bij de arresten van het gerechtshof werd appellant vrijgesproken van steunfraude. De bestuursrechter is niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Hoewel de arresten van het gerechtshof op zich wel als nieuw gegeven kunnen worden aangemerkt, is er in het licht van het voorgaande geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3648 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 mei 2010, 09/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Osmic, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 januari 2011. Partijen zijn (met bericht) niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.1. Bij besluit van 23 juli 2004 heeft het College de aan appellant verleende bijstand over de periode van 16 september 2002 tot en met 19 januari 2004 ingetrokken en een bedrag van € 17.132,74 aan gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellant teruggevorderd.

1.2. Bij uitspraak van 8 juli 2005 heeft de rechtbank Roermond het beroep van appellant tegen het besluit van 23 november 2004, waarbij het besluit van 23 juli 2004 werd gehandhaafd, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Roermond bevestigd.

1.3. Bij brief van 12 maart 2007 heeft appellant het College verzocht om het besluit van 23 juli 2004 te herzien.

1.4. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het College het verzoek van 12 maart 2007 afgewezen.

1.5. Bij besluit van 15 september 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 september 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het betreffende arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderende omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het College terugkomt van zijn eerdere besluit van 23 juli 2004, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen rechtvaardigen.

4.3. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek aan het College een beroep gedaan op de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2007. Bij die arresten werd appellant vrijgesproken van steunfraude, bestaande uit het in de periode van 30 september 2002 tot en met 30 januari 2004 valselijk op het rechtmatigheids- onderzoeksformulier vermelden dat hij niet heeft gewerkt en/of geen andere inkomsten dan de bijstandsuitkering had ontvangen, en is appellant voor een deel van de periode waarop de tenlastegelegde hennepteelt zag, vrijgesproken.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.5. Hoewel de arresten van het gerechtshof op zich wel als nieuw gegeven kunnen worden aangemerkt, is er in het licht van het overwogene in 4.4 geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.6. Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 23 juli 2004 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) E. Heemsbergen.

HD