Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
10-4342 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen redenen om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts omtrent de arbeidsbeperkingen van appellant voor onjuist te houden. Uit de beschikbare medische stukken blijkt niet dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4342 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2010, 09/6920 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Ipenburg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Hoekstra, kantoorgenoot van mr. Ipenburg. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 21 april 2009 heeft het Uwv appellant bericht dat hij per 22 juni 2009 geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 3 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig moet worden geacht en dat de conclusies daaruit voor juist moeten worden gehouden. De door appellant ingebrachte informatie van drs. W.M. van der Boog leidt niet tot een andere conclusie. Anders dan Van der Boog heeft geconstateerd hebben de arm/elleboogklachten tot beperkingen geleid. Van der Boog is niet van oordeel dat appellant psychisch beperkt moet worden geacht. Uit de informatie van de psycholoog en de revalidatiearts blijkt onvoldoende wat de psychische gesteldheid van appellant was op de datum in geding. De rechtbank acht verder voldoende gemotiveerd dat appellant de geduide functies kon verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van de blijvende rug- en elleboogklachten meer beperkt is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen aanwijzingen bestaan voor een psychische oorzaak voor de klachten van appellant. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij verslagen van psychologisch en psychiatrisch onderzoek, een brief van de orthopedisch chirurg, een nader rapport van Van der Boog en informatie van de revalidatiearts overgelegd.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen redenen om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts omtrent de arbeidsbeperkingen van appellant voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de informatie van de orthopedisch chirurg en gereageerd op de door appellant ingebrachte stukken, waaronder het nadere rapport van Van der Boog. Van der Boog heeft in zijn rapport van 2 september 2010 aangegeven dat de psychische klachten dateren van rond zijn eerste onderzoek van appellant in oktober 2009. Dit gegeven strookt met het feit dat appellant de psychische klachten tijdens deze procedure voor het eerst noemt in zijn repliek naar de rechtbank in november 2009. Onderzoek op psychisch gebied is pas in 2010 gestart. Uit dat psychologisch en psychiatrisch onderzoek blijkt evenmin dat op de datum in geding, 22 juni 2009, sprake was van beperkingen op psychisch gebied. De opmerking van de revalidatiearts op 31 maart 2009 dat een onderliggende depressie hem waarschijnlijk lijkt is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De Raad ziet dan ook geen reden om een onafhankelijke psychiater te raadplegen.

4.2. Ook wat betreft de rug- en elleboogklachten sluit de Raad zich aan bij de rechtbank. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen hebben de arm/elleboogklachten wel degelijk tot beperkingen geleid. Bij lokalisatie beperkingen is de rechter elleboog vermeld en bij duwen of trekken, tillen of dragen en frequent zware lasten hanteren is aangegeven dat dit beperkt of licht beperkt is. Uit de beschikbare medische stukken blijkt niet dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Daarbij is niet doorslaggevend of de door appellant genoemde klachten zijn terug te voeren op een tenniselleboog.

4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er is evenmin reden voor een schadevergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK