Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
10-4254 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Appellante heeft haar stelling dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugt, niet ondersteund met gegevens van objectief medische aard. Reeds daarom is er geen aanleiding tot het verrichten van nader medisch onderzoek. Door appellante is in de gehele procedure geen medische informatie overgelegd. Evenmin is gebleken van een behandeling van appellante ten tijde van de datum hier in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4254 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2010, 08/1143 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011. Namens appellante is verschenen mr. Driessen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van 27 februari 2008, waarbij het Uwv zijn besluit heeft gehandhaafd om appellantes WAO-uitkering per 16 december 2007 in te trekken, ongegrond is.

2. In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding en zij onveranderd op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. Appellante stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel een second opinion-onderzoek vereist wanneer een partij blijft volharden in een medisch tegengestelde opvatting.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad heeft geen grond gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de door appellante in hoger beroep herhaalde grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

3.2. De Raad voegt hieraan toe dat hij geen enkel aanknopingspunt ziet voor de stelling van appellante dat getwijfeld moet worden aan de objectiviteit van psychiater J.J.D. Tilanus. De Raad merkt in dit verband op dat appellante gebruik heeft gemaakt van het door Tilanus geboden inzage- en correctierecht betreffende het door hem over appellante opgestelde rapport, doch dit niet heeft geleid tot het - op dat moment - uiten van aanvullingen dan wel correcties door appellante.

3.3. Appellante heeft haar stelling dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugt, niet ondersteund met gegevens van objectief medische aard. Reeds daarom is er geen aanleiding tot het verrichten van nader medisch onderzoek. Door appellante is in de gehele procedure geen medische informatie overgelegd. Evenmin is gebleken van een behandeling van appellante ten tijde van de datum hier in geding.

3.4. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot het benoemen van een deskundige om de psychische gezondheidstoestand van appellante nader te onderzoeken.

3.5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL