Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
09-604 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering ten onrechte ingetrokken op grond van art. 54 lid 4 WWB. Geen sprake van het onvoldoende medewerking verlenen in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand. Vernietiging aangevallen uitspraak en bestreden besluit. De Raad voorziet zelf. Geen gehoor gegeven aan een oproep in het kader van een onderzoek naar appellants arbeidsmogelijkheden. Daarmee heeft appellant de ingevolge art. 9 lid 1, aanhef en onder b, WWB op hem rustende verplichting niet of onvoldoende nagekomen. Niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De Raad bepaalt dat de bijstand met ingang van 1 november 2007 wordt verlaagd met 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Geen dringende reden om van verlaging af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/604 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008, 08/4900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Voor appellant is mr. Van den Heuvel verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 28 juli 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 1 oktober 2007 heeft het College appellant opgeroepen voor een gesprek op 10 oktober 2007. Daarbij is appellant meegedeeld dat het doel van het gesprek is om met hem te bekijken of de bij het College bekende gegevens correct zijn, wat de mogelijkheden zijn om hem - indien mogelijk - weer aan het werk te helpen en welke andere mogelijkheden er zijn om hem te ondersteunen. Voorts is appellant verzocht zijn inschrijvingsbewijs bij het CWI, gegevens over eventuele sollicitaties van de afgelopen twee maanden, eventuele inschrijving bij uitzendbureaus, zijn curriculum vitae en een eventuele vrijwilligerswerkovereenkomst mee te brengen, voor zover deze in zijn bezit zijn. Appellant is op 10 oktober 2007 niet verschenen.

1.3. Bij brief van 10 oktober 2007 heeft het College appellant wederom opgeroepen voor een gesprek, nu op 19 oktober 2007. De brief van 10 oktober 2007 bevat dezelfde mededeling over het doel van het gesprek als de brief van 1 oktober 2007. Voorts is verzocht om dezelfde gegevens als in de brief van 1 oktober 2007. Appellant is op 19 oktober 2007 niet verschenen.

1.4. Bij brief van 26 oktober 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat is besloten om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 10 oktober 2007 op te schorten. Daaraan heeft het College onder verwijzing naar artikel 17, tweede lid, van de WWB ten grondslag gelegd dat appellant door zonder bericht van verhindering geen gevolg te geven aan de uitnodigingen voor de gesprekken op 10 oktober 2007 en 19 oktober 2007 niet de medewerking heeft verleend aan zijn plicht tot arbeidsinschakeling die noodzakelijk is voor de voortzetting van zijn uitkering.

Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen en opgeroepen voor een gesprek op 29 oktober 2007 om 10.00 uur. Daarbij is appellant meegedeeld dat, als hij op de afspraak verschijnt, de opschorting wordt ingetrokken en dat de bijstand kan worden verlaagd omdat hij niet of in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan activiteiten gericht op arbeidsinschakeling. Appellant is op 29 oktober 2007 niet verschenen.

1.5. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand ingetrokken met ingang van 10 oktober 2007. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant zonder opgaaf van reden niet is verschenen op de afspraak van 29 oktober 2007.

1.6. Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat appellant zich niet tijdig voor het op 29 oktober 2007 om 10.00 uur geplande gesprek heeft afgemeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB omdat appellant is opgeroepen in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Appellant heeft verder aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij zonder voorafgaand bericht geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging om op 29 oktober 2007 om 10.00 uur op gesprek te komen. Hij heeft daartoe gesteld dat zijn broer op maandag 29 oktober 2007 even na 10.30 uur naar de Dienst Arbeid en Inkomen (hierna: DAI) heeft gebeld om door te geven dat appellant wegens ziekte verhinderd was te verschijnen. Het was volgens appellant onmogelijk om zich voor 10.00 uur af te melden aangezien hij ziek bij zijn broer in Nijmegen verbleef, hij eerst op zaterdag 27 oktober 2007 op de hoogte is geraakt van de inhoud van de brief van 26 oktober 2007 en de DAI niet voor 10.30 uur telefonisch bereikbaar is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen - zie zijn uitspraak van 20 juli 2010, LJN BN2722 - is van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB slechts dan sprake indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand en niet indien hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.3. De gesprekken waarvoor appellant bij de brieven van 1 oktober 2007, 10 oktober 2007 en 26 oktober 2007 is opgeroepen hadden blijkens de tekst van beide eerstgenoemde brieven als doel de mogelijkheden van appellant tot arbeidsinschakeling te onderzoeken. De Raad acht niet aannemelijk dat die gesprekken daarnaast als doel hadden te onderzoeken of appellant recht had op bijstand. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de bij de brieven van 1 oktober 2007 en 10 oktober 2007 gevraagde gegevens slechts relevant zijn voor de arbeidsinschakeling van appellant en niet voor (het vaststellen van) het recht op bijstand van appellant. Indien de gesprekken waarvoor appellant is opgeroepen ook als doel zouden hebben gehad om te onderzoeken of appellant nog (ongewijzigd) recht had op bijstand, had het voor de hand gelegen appellant te verzoeken ook de bankafschriften van de laatste drie maanden mee te nemen. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting desgevraagd erkend. De Raad acht verder van belang dat het College in de brief van 26 oktober 2007 de zinsnede heeft opgenomen dat appellant - door zonder bericht van verhindering geen gevolg te geven aan de uitnodigingen voor de gesprekken op 10 oktober 2007 en 19 oktober 2007 - geen medewerking heeft verleend aan activiteiten die op arbeidsinschakeling zijn gericht en dat op grond daarvan de bijstand kan worden verlaagd.

4.4. Uitgaande van hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen kan het feit dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de bij de brieven van 1 oktober 2007 en 10 oktober 2007 gedane oproepen voor een gesprek op 10 oktober 2007 respectievelijk 19 oktober 2007 naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Evenmin is sprake van ‘het niet herstellen van een verzuim’ als bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB toen appellant niet kwam opdagen voor het gesprek op 29 oktober 2007 waarvoor hij bij de brief van 26 oktober 2007 was opgeroepen. De Raad komt tot de conclusie dat het College ten onrechte de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 10 oktober 2007 heeft ingetrokken.

4.5. Hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen betekent dat het besluit van 26 mei 2008 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 26 mei 2008 wegens strijd met artikel 54 van de WWB vernietigen. De Raad ziet aanleiding het besluit van 30 oktober 2007 te herroepen omdat het op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag berust en dit gebrek niet kan worden hersteld. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

4.6. Ter zitting heeft gemachtigde van het College verklaard dat, indien het besluit van 26 mei 2008 geen stand kan houden en opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2007 moet worden beslist, de bijstand van appellant met ingang van 10 oktober 2007 met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Gouda 2007 (hierna: Verordening) met ingang van 10 oktober 2007 zal worden verlaagd met 50% gedurende 1 maand op de grond dat appellant zonder voorafgaand bericht van verhindering geen gehoor heeft gegeven aan de bij brief van 26 oktober 2007 gedane oproep voor een gesprek op 29 oktober 2007.

4.7.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover hier van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.7.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.7.3. Ingevolge artikel 6 van de Verordening worden de gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen onderscheiden in categorieën. Tot de derde categorie behoort het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.7.4. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is bepaald dat, onverminderd artikel 2, tweede lid, de verlaging bij gedragingen van de derde categorie wordt vastgesteld op vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.7.5. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Verordening wordt de verlaging afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

4.7.6. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan het college geheel of gedeeltelijk van het verlagen van de bijstand afzien indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

4.7.7. In artikel 5, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat indien het besluit tot afstemming voor de 15e van een maand wordt bekend gemaakt, de verlaging kan worden toegepast over diezelfde kalendermaand. Wordt het besluit tot afstemming na de 15e aan de belanghebbende bekendgemaakt, dan kan de verlaging eerst worden toegepast over de eerstvolgende maand. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan in afwijking van het eerste lid de verlaging over voorliggende maanden worden toegepast, voor zover de bijstand over deze maanden nog niet is uitbetaald.

4.8. Tussen partijen is niet langer in geschil dat ten tijde hier van belang op appellant de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB rustten. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.3 is overwogen stelt de Raad verder vast dat appellant bij brief van 26 oktober 2007 in het kader van een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden is opgeroepen voor een gesprek op 29 oktober 2007. Verder staat vast dat appellant op 27 oktober 2007 van de inhoud van die brief kennis heeft genomen en zonder voorafgaand bericht van verhindering aan deze oproep geen gehoor heeft gegeven. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, niet of onvoldoende nagekomen.

4.9. Anders dan appellant heeft aangevoerd kan van deze gedraging niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft weliswaar gesteld en door het College is niet betwist dat zijn broer op maandag 29 oktober 2007 even na 10.30 uur contact heeft opgenomen met de DAI om door te geven dat appellant wegens ziekte verhinderd was te verschijnen, maar deze melding kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een voorafgaand bericht van verhindering, aangezien appellant was uitgenodigd voor een gesprek om 10.00 uur. De door appellant gestelde omstandigheid dat dit gesprek ongeveer een uur zou duren maakt dit niet anders. Appellant heeft, gelet op de gedetailleerde weerlegging hiervan door het College, naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de DAI op 29 oktober 2007 niet voor 10.30 uur telefonisch bereikbaar was. In de brief van 26 oktober 2007 zijn twee telefoonnummers genoemd. Volgens het College waren op 29 oktober 2007 tijdens kantooruren via deze twee nummers de steller van die brief en de DAI bereikbaar. Een telefoontje van appellant zou bij geen gehoor zijn doorgeschakeld naar het Klanten Contact Centrum van de gemeente Gouda die de boodschap van appellant had kunnen aannemen of had kunnen doorverbinden met een collega. Het College heeft verder aangegeven dat degene die voor 10.30 uur en na 12.30 uur het nummer van het telefonische spreekuur draait, een bandje te horen krijgt. Laatstgenoemd telefoonnummer stond echter niet in de brief van 26 oktober 2007 vermeld.

4.10. Hetgeen onder 4.8 en 4.9 is overwogen brengt mee dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen. De betreffende gedraging is aan te merken als een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 6 van de Verordening. Hierbij past ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening een verlaging van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Verordening van verlaging af te zien of om de bijstand minder vergaand te verlagen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad verder geen grond om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening, zodat het College niet bevoegd is geheel of gedeeltelijk van de verlaging af te zien.

4.11. Wat betreft de ingangsdatum van de verlaging wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie dat een verlaging niet eerder behoort in te gaan dan op de datum waarop de laakbare gedraging zich heeft voorgedaan. Nu in het onderhavige geval de laakbare gedraging zich op 29 oktober 2007 heeft voorgedaan en in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de Verordening, betekent het voorgaande dat een verlaging op grond daarvan eerst met ingang van 1 november 2007 kan worden opgelegd.

4.12. In hetgeen onder 4.8 tot en met 4.11 is overwogen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2007 wordt verlaagd met 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 mei 2008;

Herroept het besluit van 30 oktober 2007;

Bepaalt dat de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2007 wordt verlaagd met 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant: in bezwaar tot een bedrag van € 644,-- en in beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellant en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

RB