Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
09-5145 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ongevraagd ontslag wegens plichtsverzuim is terecht. Nevenactiviteiten in restaurant van broer niet gemeld. Bovendien was appellant gebleken van zaken die op fraude konden wijzen. Door zijn neef en nicht toe te staan zijn adres als woonadres te gebruiken, heeft appellant de weg vrij gemaakt voor uitkeringsfraude. Ontslag is evenredig aan de ernst en aard van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5145 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 augustus 2009, 08/1185 en 08/1320, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Eillert, advocaat te Enschede. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle, en I.W. ten Have, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker cliëntenarchief bij de dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Hengelo. Op 19, 20 en 21 september 2007 is appellant verhoord door rechercheurs van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst in verband met het vermoeden van fraude. In verband hiermee is hem met onmiddellijke ingang de toegang tot de gebouwen ontzegd. Na een daartoe strekkend voornemen heeft het college bij besluit van 25 juni 2008 appellant met ingang van 1 juli 2008 wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag verleend op grond van artikel 8:13 van de Hengelose Arbeidsvoorwaardenregeling (hierna: HAR). Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2008 (hierna: bestreden besluit). Samengevat is appellant het volgende plichtsverzuim verweten: het gedurende langere tijd werkzaamheden verrichten in het restaurant van zijn broer A, zonder daarvan melding te doen bij zijn leidinggevende; het suggereren aan zijn broer B, tweelingbroer van broer A, die in het restaurant werkzaam was en een uitkering van de gemeente Hengelo ontving, om de naam van broer A te gebruiken bij controles; het zich niet distantiëren, noch melden aan de gemeente, van belastingfraude en betaling van zwart loon door broer A; het door een neef en nicht die niet bij hem inwoonden laten gebruiken van zijn adres in de gemeentelijke basisadministratie, waardoor hun ouders een hogere uitkering ontvingen dan in het geval die neef en nicht op het adres van de ouders ingeschreven zouden hebben gestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank van enkele verweten gedragingen geoordeeld dat er geen sprake was van plichtsverzuim, maar op grond van de overige verweten gedragingen geoordeeld dat het ongevraagd ontslag op grond van artikel 8:13 van de HAR in rechte stand houdt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 15:1e, eerste lid, van de HAR is de ambtenaar verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. In een memo van 12 januari 2001, dat was opgesteld in verband met door appellant verrichte werkzaamheden in een (ander) restaurant, is tussen appellant en het college afgesproken dat appellant voor nevenactiviteiten vooraf toestemming zou vragen aan het afdelingshoofd. Tegen de achtergrond van deze specifiek met appellant gemaakte afspraak en de vervolgens in 2005 ter uitvoering van de Gedragcode ambtelijke integriteit door appellant ondertekende algemene integriteitsverklaring, lijdt het geen twijfel dat het melden van de werkzaamheden in dit geval was aangewezen. De stelling van appellant dat hij de toestemming niet vooraf heeft kunnen vragen omdat hij plotseling moest bijspringen door de ziekte van zijn broer A, acht de Raad niet geloofwaardig. Het betreft immers werkzaamheden over een langere periode. Uit de stukken blijkt dat appellant voordat zijn broer A ziek werd, al regelmatig actief was in het restaurant en dat de omvang van zijn activiteiten vanaf de ziekte van zijn broer A is toegenomen. Sindsdien was appellant in het weekend altijd aanwezig in het restaurant en soms ook op doordeweekse avonden. Gedurende deze periode was er alle gelegenheid de vereiste melding te doen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het nalaten daarvan door appellant plichtsverzuim inhoudt.

3.2. De stelling van appellant dat hij voor zijn activiteiten in het restaurant geen inkomsten kreeg doet aan het voorgaande niet af. Zoals uit de toelichting bij de HAR blijkt, dient de term nevenwerkzaamheden ruim te worden opgevat en wordt er geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde nevenwerkzaamheden.

3.3. Los van het voorgaande mocht van appellant worden verwacht dat hij zich zou distantiëren van het restaurant van zijn broer A nadat hem was gebleken van zaken die op fraude konden wijzen, zoals uitkeringsfraude en de opgave van een onjuiste datum van indiensttreding van een werknemer. Dat appellant dit, in zijn positie, niet heeft gedaan, is naar het oordeel van de Raad als ernstig plichtsverzuim aan te merken.

3.4. Ten aanzien van het tapverslag waarin is opgetekend: “ee, (naam broer A) is thuis, je kunt zijn naam gebruiken”, heeft appellant gesteld dat dat telefoongesprek waarschijnlijk in het Aramees is gevoerd en het tapverslag in zoverre vermoedelijk een foutieve vertaling bevat. Wat hier ook van zij, ter zitting van de rechtbank heeft appellant bevestigd dat hij zijn broer B heeft gezegd dat hij de naam van zijn broer A kon gebruiken in het geval er een controle plaatsvond bij het restaurant. De Raad acht dan ook voldoende aannemelijk dat appellant die suggestie heeft gedaan.

3.5. Evenals de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat het aan zijn neef en nicht toestaan zijn adres als woonadres te gebruiken, terwijl hun ouders waar zij deels woonachtig waren een uitkering ontvingen van de gemeente Hengelo, plichtsverzuim van appellant inhoudt. Appellant heeft daarmee de weg voor mogelijke uitkeringsfraude vrij gemaakt. Hij wist dit ook, blijkens zijn verklaring dat hij het er met zijn zus over heeft gehad dat het niet goed was wat er gebeurde en dat hij haar niet hoefde te zeggen dat er fraude gepleegd werd omdat zij dit zelf ook wel wist. Zijn positie als medewerker van de Sociale dienst maakte te meer dat hij zich van de laakbaarheid van zijn gedrag bewust had moeten zijn.

3.6. Het vorenstaande tezamen genomen levert ernstig plichtsverzuim op.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Dat appellant naar eigen zeggen belangeloos zijn familie heeft willen helpen, maakt het oordeel van de Raad op dit punt niet anders. De Raad deelt evenmin de opvatting van appellant dat dergelijk gedrag uitsluitend de privésfeer raakt. De integriteit en betrouwbaarheid van de gemeente zijn door het handelen van appellant in gevaar gekomen en het vertrouwen dat het college moet kunnen stellen in appellant is hierdoor ernstig aangetast. Het college heeft zijn belang van een betrouwbare overheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellant. Dat appellant voorafgaand aan het strafontslag had moeten worden gewaarschuwd, ziet de Raad, mede in het licht van het memo van 12 januari 2001, de integriteitsverklaringen van 2005 en het actief door de gemeente gevoerde integriteitsbeleid niet in.

4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Nijholt.

HD