Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
08-7074 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maateregel: verlaging bijstand voor de duur van twee maanden met 100% omdat appellant tot twee maal toe alle medewerking heeft geweigerd tot het aanvaarden van passende arbeid. Verwijtbaar gedrag. Psychische klachten: er is geen sprake van een door een psycholoog of een psychiater opgestelde rapportage. De Raad neemt, evenals de rechtbank, verder in aanmerking dat het door Argonaut Advies verrichte pychodiagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden vrijwel onmiddellijk voorafgaand aan de thans in geding zijnde besluitvorming van het College, terwijl de Rapportage Cliëntmeting van 13 december 2010 ziet op de situatie van appellant in december 2010. De rapportage van de neuroloog met betrekking tot de gestelde rugklachten heeft gezien het tijdsverloop ook op dit onderdeel onvoldoende betekenis voor het hier aan de orde zijnde geschil en berust evenmin op objectieve medische bevindingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7074 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 oktober 2008, 08/781 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld en een nader stuk aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011.

Voor appellant is verschenen mr. Burhenne. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Lambers, werkzaam bij de gemeente Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verrichtte met behoud van uitkering vrijwilligerswerk voor 20 uur per week. Op 3 oktober 2007 heeft een arbeidsconsulent met appellant gesproken over de mogelijkheid een werktraject te volgen bij De Risse. Appellant heeft toen aangegeven dat hij maar voor 20 uur per week wil blijven werken. Op verzoek van het College heeft Argonaut Advies op 15 oktober 2007 een psychodiagnostisch onderzoek verricht met het oog op de arbeidsmogelijkheden van appellant.

1.2. Bij besluit van 20 november 2007 heeft het College aan appellant alle arbeidsverplichtingen (voor 38 tot 40 uur per week) opgelegd. Daarbij is overwogen dat uit het door Argonaut verrichte onderzoek is gebleken dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat appellant slechts 20 uur per week zou kunnen werken. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaarschrift ingediend.

1.3. Op 20 november 2007 is met appellant gesproken over zijn arbeidsverplichtingen. Appellant heeft tijdens dat gesprek meegedeeld dat hij wegens rugklachten, als gevolg waarvan hij sinds 12 november 2007 ziek thuis is, niet fulltime kan werken. Op 22 november 2007 heeft een consulent opnieuw met appellant gesproken. Bij die gelegenheid is appellant een baan voor 32 uur per week bij de groenvoorziening van De Risse aangeboden. Appellant is op dat werkaanbod toen niet ingegaan. De betrokken consulent heeft appellant vervolgens bedenktijd gegeven tot 27 november 2007. Appellant heeft ook op die datum het werkaanbod niet aanvaard in verband met de door hem gestelde rugklachten.

1.4. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2007 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd op de grond dat appellant tot twee maal toe alle medewerking heeft geweigerd tot het aanvaarden van passende arbeid.

1.5. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de voor dit geschil van belang zijnde bepalingen van de WWB en van de Maatregelenverordening WWB gemeente Weert 2004 (hierna: Verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt voorop dat, nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 20 november 2007, dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

4.2. De rechtbank heeft ter zake van de door appellant gestelde klachten en de passendheid van de aangeboden functie het volgende overwogen, waarbij voor eiser dient te worden gelezen appellant en voor verweerder het College:

“Verweerder heeft zich bij de totstandkoming van het besluit van 20 november 2007 onder meer gebaseerd op onderzoek door Argonaut Advies, waaruit naar voren is gekomen dat vanuit psychisch perspectief geen redenen bestaan om aan te nemen dat eiser slechts 20 uur per week zou kunnen werken. Eiser mag echter niet te maken krijgen met constante werkdruk, met ongestructureerd werk en met een ongestructureerde werkomgeving. De rechtbank heeft geen reden om dit advies voor onjuist of onzorgvuldig te houden. Eiser heeft geen informatie in het geding gebracht waaruit valt af te leiden dat hij op psychische gronden niet in staat kan worden geacht de aangeboden arbeid te verrichten. Het onderzoek door Argonaut Advies heeft daarenboven plaatsgevonden op 15 en 16 oktober 2007, - dus kort voorde datum in geding, - terwijl de informatie die eiser in het geding brengt ter onderbouwing van zijn psychische klachten, reeds van 13 februari 2006 dateert en bovendien niet met het oog op aanvaarding van arbeid voor meer dan 20 uur per week is uitgebracht.

Voorts heeft eiser weliswaar gesteld dat hij lijdt aan rugklachten doch uit de brief van de neuroloog die zijdens eiser in het geding is ingebracht, kan niet worden afgeleid of, en zo ja in hoeverre deze klachten eiser beletten het werk bij de Risse uit te oefenen. De heer Swinkels van de Risse heeft daarenboven expliciet aan eiser te kennen gegeven dat met de rugbeperkingen in overleg met de bedrijfsarts rekening zal worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat bedoelde functie bij de Risse voor eiser in beginsel niet geschikt en passend was. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen een aanvang te maken met de aangeboden werkzaamheden. Indien vervolgens zou zijn gebleken dat eisers rugklachten aan het verrichten van deze arbeid in de weg stonden, had met de bedrijfsarts van de Risse naar alternatieve mogelijkheden gezocht kunnen worden. Eiser heeft door zijn weigerachtige opstelling zijn kans op te werkstelling echter bij voorbaat onmogelijk gemaakt. Dit valt eiser des te meer aan te rekenen nu hij reeds vanaf 2002 een bijstandsuitkering van verweerder ontvangt, waaruit tevens verplichtingen voortvloeien.”

4.3. De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen en neemt deze over. Hij voegt daaraan het volgende toe, waarbij de Raad betrekt de door appellant in hoger beroep overgelegde zogenoemde Rapportage Cliëntmeting van 13 december 2010, die op verzoek van de gemeente Weert over appellant is opgemaakt (hierna: rapportage).

4.3.1. Met betrekking tot zijn psychische klachten heeft appellant erop gewezen dat uit de rapportage blijkt dat sprake is van een ernstig niveau van psychische klachten. Naar het oordeel van de Raad komt aan de rapportage voor de beoordeling van het thans voorliggende geschil onvoldoende betekenis toe. In de eerste plaats overweegt de Raad daartoe dat geen sprake is van een door een psycholoog of een psychiater opgestelde rapportage. De Raad neemt, evenals de rechtbank, verder in aanmerking dat het door Argonaut Advies verrichte pychodiagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden vrijwel onmiddellijk voorafgaand aan de thans in geding zijnde besluitvorming van het College, terwijl de rapportage ziet op de situatie van appellant in december 2010.

4.3.2. Met betrekking tot de rugklachten van appellant is aangevoerd dat deze klachten door het College en door de rechtbank zijn onderschat, waartoe evenals in beroep is gewezen op de brief van neuroloog Vanroose van 30 januari 2008 alsmede op de rapportage van 13 december 2010, waarin (ook) de lichamelijke klachten van appellant als ernstig worden omschreven. Wat betreft de brief van de neuroloog verwijst de Raad naar de hiervoor aangehaalde overweging 2.18 van de aangevallen uitspraak. De rapportage heeft gezien het tijdsverloop ook op dit onderdeel onvoldoende betekenis voor het hier aan de orde zijnde geschil en berust evenmin op objectieve medische bevindingen.

4.3.3. De gedragingen van appellant van 22 en 27 november 2007 kunnen - samengenomen - worden gekwalificeerd als het weigeren van een passend werkaanbod. Evenals het College en de rechtbank acht de Raad deze gedraging verwijtbaar. Het verwijtbaar niet aanvaarden van arbeid die één maand of langer zou duren - niet in geschil is dat daarvan in dit geval sprake was - levert een gedraging op van de vijfde categorie. De door het College opgelegde maatregel tot verlaging van de bijstand is in overeenstemming met hetgeen ter zake van die categorie in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening is bepaald.

4.3.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin die gedraging hem verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert aanleiding geven om de maatregel met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Verordening te matigen.

4.4. Gelet op het voorafgaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H. M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD