Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
08-6045 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WWIK-uitkering. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet tijdige overgelegd. Het is niet gebleken dat appellant (...) buiten staat was zijn belangen te behartigen of te laten behartigen, eventueel door het tijdig vragen van nader uitstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6045 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2008, 07/4850 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) ontvangen over de periode van 1 januari 2006 tot en met

30 november 2006.

1.2. In verband met de definitieve vaststelling van de WWIK-uitkering over 2006 heeft het College bij brieven van 13 april 2007 en 12 juli 2007 aan appellant verzocht om uiterlijk vóór 1 juli 2007 respectievelijk 1 september 2007 over te leggen:

- alle inkomstengegevens, zoals salaris- en uitkeringsspecificaties, jaarrekeningen (verlies- en winstrekening en balans), ouderbijdragen, etc.;

- aangifte inkomstenbelasting.

1.3. In de brief van 12 juli 2007 is opgenomen dat op appellant de in artikel 20, derde lid, van de WWIK genoemde verplichting rust om uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de uitkering is verleend de gegevens over zijn jaarinkomen over te leggen. Appellant is er verder op gewezen dat de aan hem verstrekte WWIK-uitkering over het kalenderjaar 2006 van hem zal worden teruggevorderd indien hij de gevraagde gegevens niet vóór 1 september 2007 overlegt.

1.4. Appellant heeft naar het oordeel van het College niet tijdig de gevraagde stukken ingeleverd. Het College heeft bij besluit van 6 september 2007 de aan appellant verstrekte uitkering tot een bedrag van € 7.327,95 van hem teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 2 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de in artikel 20, derde lid, van de WWIK genoemde verplichting heeft voldaan en evenmin binnen de daarvoor gestelde termijnen de in de onder 1.2 genoemde brieven gevraagde gegevens heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft artikel 30 van de WWIK aan de terugvordering ten grondslag gelegd. Ingevolge dat artikel dient het bestuursorgaan de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terug te vorderen, voor zover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de WWIK.

4.2. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat appellant de gevraagde en voor de definitieve vaststelling van de uitkering noodzakelijke gegevens niet voor 1 september 2007 aan het College heeft verstrekt. Met het College is de Raad van oordeel dat appellant daardoor in strijd heeft gehandeld met de in artikel 20, derde lid, van de WWIK genoemde en aan de uitkering verbonden verplichting. Appellant heeft aangevoerd dat het niet tijdig overleggen van de gegevens hem niet kan worden verweten, omdat zijn moeder in die tijd ernstig ziek werd en is overleden, terwijl hij ook zijn werk als cellist wilde blijven doen. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang buiten staat was zijn belangen te behartigen of te laten behartigen, eventueel door het tijdig vragen van nader uitstel. Op grond van het vorenstaande was het College derhalve gehouden de aan appellant verleende WWIK-uitkering op grond van artikel 30 van de WWIK van hem terug te vorderen.

4.3. De Raad ziet ten slotte in de door appellant gestelde hachelijke financiële situatie, waarbij een betalingsregeling hem geen soelaas zou kunnen bieden, geen dringende redenen als bedoeld in artikel 32 van de WWIK, zodat het College niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.

RB