Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
10-561 ZVW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat aan betrokkene in 2007 180 standaard dagdoseringen van een relevante werkzame stof zijn afgeleverd. Uitgaande van de maatstaf betekent dit dat betrokkene reeds daarom niet voldoet aan de voorwaarde dat in beide refertejaren sprake moet zijn geweest van de aflevering van meer dan 180 standaard dagdoseringen van een relevante werkzame stof en dat hij derhalve geen recht heeft op compensatie eigen risico 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/561 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

CAK B.V. (hierna: CAK)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 december 2009, 09/887 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

CAK

Datum uitspraak: 2 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

CAK heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 januari 2011. Partijen zijn - CAK met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft eind 2008 bij CAK een aanvraag ingediend om compensatie van het eigen risico voor het jaar 2008, als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

1.2. CAK heeft bij besluit van 24 december 2008 de aanvraag van betrokkene afgewezen. CAK heeft daartoe overwogen dat betrokkene niet voldoet aan de ingevolge de Zvw geldende voorwaarden om de compensatie eigen risico te ontvangen.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft CAK het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 februari 2008. Hij heeft aangevoerd dat hij gelet op zijn medicijngebruik wel aan de voorwaarden voor toekenning van een compensatie eigen risico 2008 voldoet. Uit de - in beroep door betrokkene ingezonden - afleverhistorie van zijn medicijnen over de jaren 2006 en 2007 blijkt volgens betrokkene dat hij in 2006 en 2007 twee maal daags het voorgeschreven medicijn Flecainide heeft gebruikt. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij begin 2007 Flecainide heeft gebruikt, die hij in 2006 afgeleverd heeft gekregen.

1.5. CAK heeft naar aanleiding van de door betrokkene in beroep aangeleverde afleverhistorie van medicijnen aan Vektis c.v. (hierna: Vektis) gevraagd haar nadere informatie te verschaffen over de indeling van betrokkene in een farmaceutische kostengroep (hierna: FKG) in de jaren 2006 en 2007. Op basis van de nader ingekomen gegevens heeft CAK geconcludeerd dat betrokkene in beide jaren terecht niet is ingedeeld in een FKG.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat betrokkene in aanmerking komt voor compensatie van het eigen risico. Zij is van oordeel dat CAK in de in bezwaar door betrokkene verstrekte gegevens aanleiding had moeten vinden om nader onderzoek te doen en nader had moeten motiveren waarom betrokkene niet in aanmerking komt voor de door hem aangevraagde compensatie eigen risico 2008. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het strikt vasthouden aan het criterium “afgeleverde/gedeclareerde” medicijnen in plaats van “gebruikte” medicijnen zich niet verdraagt met doel en strekking van de hier van toepassing zijnde regelgeving.

3. CAK heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. CAK heeft aangevoerd dat er in bezwaar geen reden was voor nader onderzoek, omdat buiten redelijke twijfel stond dat de bezwaargronden niet tot een voor betrokkene gunstig resultaat konden leiden. Voorts heeft CAK aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat bij de beoordeling van het recht op compensatie moet worden gekeken naar het “gebruik” van medicijnen in plaats van naar de “aflevering” ervan. CAK stelt dat uit de gegevens van Vektis blijkt dat betrokkene in beide jaren terecht niet in een FKG is ingedeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor het van toepassing zijnde wettelijke kader en de uitleg die daaraan moet worden gegeven naar zijn uitspraak van 19 oktober 2010, LJN BN9985.

4.2. De Raad heeft in r.o. 4.3.2 van die uitspraak overwogen dat in de situatie waarin een belanghebbende in het kader van bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag met feitelijke gegevens onderbouwd aannemelijk maakt dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij in de twee jaren voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft ten onrechte niet is ingedeeld in een FKG het op de weg van CAK ligt om te onderzoeken of Vektis op goede gronden heeft geconcludeerd dat belanghebbende die twee jaren of een van die twee jaren niet is ingedeeld in een FKG.

4.3. De Raad stelt vast dat betrokkene er in bezwaar mee heeft volstaan dat hij sinds 2005 het medicijn Flecainicide - opgenomen in de FKG hartaandoeningen - voorgeschreven heeft gekregen door zijn cardioloog in verband met hartritme-stoornissen. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de Raad niet met feitelijke gegevens onderbouwd aannemelijk gemaakt dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij in 2006 en 2007 ten onrechte niet is ingedeeld in een FKG. De beroepsgrond van CAK dat betrokkene in bezwaar geen gegevens heeft ingezonden, die aanleiding hadden moeten geven voor nader onderzoek, treft dan ook doel.

4.4. Op basis van het onder 4.1 bedoelde samenstel van wettelijke bepalingen is de Raad met CAK van oordeel dat voor de beoordeling van het recht op compensatie eigen risico bepalend is of een verzekerde in de twee opvolgende jaren voorafgaande aan het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, is ingedeeld in bij ministeriële regeling aangewezen FKG’s, dan wel op 1 juli van het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, zonder onderbreking meer dan een half jaar in een AWBZ-instelling heeft verbleven. Met CAK is de Raad van oordeel dat een verzekerde in een bepaald jaar in een FKG dient te worden ingedeeld, indien aan hem in dat jaar meer dan 180 standaard dagdoseringen (DDD’s) van een relevant geneesmiddel zijn afgeleverd. De Raad heeft reeds eerder - in r.o. 4.4.2 van zijn uitspraak van 9 november 2010, LJN BO3791 - overwogen dat niet het feitelijk gebruik van medicijnen, maar de aflevering ervan de hier aan te leggen maatstaf vormt.

4.5. De Raad stelt op grond van de gedingstukken - in het bijzonder de door CAK in beroep bij Vektis opgevraagde gegevens - vast dat aan betrokkene in 2007 180 standaard dagdoseringen van een relevante werkzame stof zijn afgeleverd. Uitgaande van de onder 4.4 genoemde maatstaf betekent dit dat betrokkene reeds daarom niet voldoet aan de voorwaarde dat in beide refertejaren sprake moet zijn geweest van de aflevering van meer dan 180 standaard dagdoseringen van een relevante werkzame stof en dat hij derhalve geen recht heeft op compensatie eigen risico 2008. De beantwoording van de vraag of aan betrokkene in 2006 wel afgeleverde medicijnen ten onrechte niet bij de zorgverzekeraar zijn gedeclareerd, en vervolgens door de zorgverzekeraar ook niet aan Vektis zijn doorgegeven, kan gelet op het voorgaande onbeantwoord blijven.

4.6. De Raad verbindt aan hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen de conclusie dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. de Jong.

RB