Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
10-3026 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. (De) gegevens hebben (deels) geen betrekking op de periode 1981-1986 en, voor zover daaruit zou zijn af te leiden dat appellant toen ook in 1986 nog steeds psychische klachten ondervond, leidt zulks niet tot een ander oordeel. Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant uit 1986 was immers kennelijk (mede) gebaseerd op de stelling dat hij ondanks deze klachten in staat moest worden geacht om met aangepaste arbeid 85% of meer van zijn zogenoemde maatmanloon te verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3026 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010, 09/1073 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemesverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 10 augustus 2010 een vertaling van het hoger beroepsschrift naar de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant was niet aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 3 oktober 2005 vanuit Marokko tot verschillende Nederlandse instanties gewend met een verzoek tot het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, welk verzoek is doorgeleid naar het Uwv. Bij brieven van 14 december 2005 en 6 juni 2006 heeft het Uwv appellant om nadere informatie gevraagd, waarna appellant verschillende stukken die (deels) betrekking hebben op medische behandeling van hem in Marokko heeft ingezonden. Bij het Uwv is vervolgens gebleken dat bij haar geen of vrijwel geen stukken met betrekking tot (een uitkering van) appellant aanwezig waren. Uit de wel ter beschikking staande gegevens is in elk geval gebleken dat aan appellant door de rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 19 februari 1981 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) was toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering, zoals uit door appellant ingezonden respectievelijk nog bij het Uwv aanwezige stukken valt af te leiden, in de loop van 1986 is ingetrokken. De verzekeringsarts J. van Oort heeft de beschikbare informatie bestudeerd en is in diens rapport van 7 mei 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om terug te komen op het (kennelijk) in 1986 genomen besluit tot intrekking van de WAO- uitkering van appellant. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 31 juli 2008 aan appellant bericht, dat diens verzoek bezien moet worden in het licht van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat diens verzoek bij gebreke van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moet worden afgewezen.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij opnieuw stukken ingezonden. Bij besluit van 9 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, welk beroep door de rechtbank ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name het oordeel van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden onderschreven.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn eerdere verzoeken herhaald.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant met recht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen op het in 1986 genomen besluit tot intrekking van zijn WAO- uitkering en in dat kader toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb.

4.3. De Raad stelt voorop, dat appellant, die van de rechtsvoorganger van het Uwv toestemming had gekregen om in 1981 met behoud van zijn WAO- uitkering naar Marokko te gaan, naar uit de voorhanden informatie valt op te maken, van 1986 tot 2005 in Nederland verbleef en nadien terug is gekeerd naar Marokko en noch in bedoelde periode noch nadien verzekeringsplichtige arbeid (in Nederland) heeft verricht.

4.4. Het is in het kader van de hier aan de orde zijnde wetstoepassing in de eerste plaats aan appellant om de gegevens te verstrekken die het Uwv kunnen brengen tot de beoordeling van de vraag of al dan niet op het besluit uit 1986 moet worden teruggekomen - en eventueel, zo diens verzoek opgevat zou moeten worden als een tot toepassing van artikel 43a van de WAO, of aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan met inachtneming van de rechtspraak van de Raad terzake, zie onder andere CRvB 5 februari 2002, LJN AD9471. Dat een deel van de op de periode 1981 tot en met 1986 betrekking hebbende stukken als gevolg van het tijdsverloop niet meer te achterhalen is, moet voor risico van appellant komen.

4.5. Uit de beschikbare gegevens - waaronder ook stukken die kennelijk betrekking hebben op bezwaar- en beroepsprocedures tegen het eerder bedoelde besluit uit 1986 - valt, naar het oordeel van de Raad, geenszins op te maken dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Deze gegevens hebben (deels) geen betrekking op de periode 1981-1986 en, voor zover daaruit zou zijn af te leiden dat appellant toen ook in 1986 nog steeds psychische klachten ondervond, leidt zulks niet tot een ander oordeel. Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant uit 1986 was immers kennelijk (mede) gebaseerd op de stelling dat hij ondanks deze klachten in staat moest worden geacht om met aangepaste arbeid 85% of meer van zijn zogenoemde maatmanloon te verdienen.

4.6. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv met recht heeft aangenomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de aanvraag van appellant af te wijzen overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

NW