Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
10/3877 WAO + 10/4862 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3877 WAO + 10/4862 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 08/3255 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv een besluit van 27 augustus 2010 genomen en met onderliggende stukken ingezonden.

Appellant heeft bij faxbericht van 20 januari 2011 een schrijven van 14 januari 2011 van PsyQ ingezonden, waarop het Uwv een reactie heeft ingezonden van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad vermeldt hier dat appellant, laatstelijk werkzaam als coupeur, in oktober 1995 zijn werkzaamheden wegens psychische klachten heeft gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordeling heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 20 mei 2008 met ingang van 20 juli 2008 ingetrokken. Het bezwaar van appellant hiertegen heeft het Uwv bij besluit van

24 oktober 2008 (besluit I) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft, onder gegrondverklaring van het tegen besluit I gerichte beroep, besluit I vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen.

2.2. De vernietiging van besluit I rust op het oordeel van de rechtbank dat dit besluit onvoldoende was gemotiveerd doordat het Uwv in dit besluit niet was ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden over appellants oog- en oorklachten, alsmede zijn allergie voor stof. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bij het nemen van besluit I in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen geen lichamelijk onderzoek bij appellant hebben verricht, noch inlichtingen dienaangaande hebben ingewonnen bij de huisarts en de oogarts van appellant. Wel heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de bezwaarverzekeringsarts, die voor zijn oordeelsvorming appellant heeft laten onderzoeken door psychiater W.M.J. Hassing, gevolgd in zijn standpunt dat in de door de verzekeringsarts op 4 april 2008 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant als gevolg van zijn psychische klachten. Aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag van besluit I is de rechtbank niet toegekomen.

3.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot zijn psychische klachten bestreden. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat psychiater Hassing geen gebruik heeft gemaakt van een tolk bij haar onderzoek, terwijl appellant de Nederlandse taal niet goed machtig is. Voorts heeft hij aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts is afgeweken van de door psychiater Hassing aangegeven beperkingen. Hierin had de rechtbank aanleiding moeten zien een deskundige te benoemen. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte daaromtrent geen oordeel heeft gegeven. Onder verwijzing naar het destijds geldende reglement bezwaarschriften van het Uwv heeft appellant aangevoerd dat in strijd hiermee de in bezwaar aangevoerde arbeidskundige gronden niet zijn beoordeeld door een bezwaararbeidsdeskundige, maar door de bij de primaire besluitvorming betrokken arbeidsdeskundige.

3.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan een besluit van 27 augustus 2010 (besluit II) genomen. Daarbij is het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2008 opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op door de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek uitgevoerd onderzoek naar de klachten van appellant over horen, zien en allergie. Van haar onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts verslag gedaan in haar rapport van 26 augustus 2010. Daarbij heeft zij de door haar ontvangen inlichtingen van de huisarts en behandelend oogarts betrokken. De bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst heeft bij rapport van 17 september 2010 de arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting herbeoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat deze kan worden gehandhaafd.

3.3. Het Uwv heeft zich met betrekking tot de psychische klachten van appellant geschaard achter de overwegingen dienaangaande van de rechtbank.

3.4. Nu met besluit II niet volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellant, zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in deze procedure betrekken.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat met de psychische klachten van appellant voldoende rekening is gehouden.

4.1.2. Aan het rapport van psychiater Hassing valt te ontlenen dat zij zich ervan bewust was dat appellant matig Nederlands spreekt waardoor zij haar vragen erg eenvoudig heeft moeten houden en waardoor het onderzoek zijn beperkingen kent. Niettemin vermeldt zij dat zij een voldoende duidelijk beeld van appellant heeft kunnen krijgen om tot een conclusie te kunnen komen.

4.1.3. In zijn algemeenheid zal bij psychiatrisch onderzoek in de Nederlandse taal van diegenen die het Nederlands slechts gebrekkig beheersen van bijstand van een tolk niet kunnen worden afgezien. Gelet evenwel op het gestelde in 4.1.2., de uitvoerige anamnese die in het rapport is weergegeven en de omstandigheid dat van de zijde van appellant geen gegevens van feitelijk aard zijn aangevoerd die in het rapport verkeerd zijn weergegeven of ten onrechte niet zijn vermeld, moet de Raad het ervoor houden dat in dit geval met voldoende zorgvuldigheid door psychiater Hassing onderzoek is gedaan en dat haar verslag een toereikend beeld geeft van de psychische toestand van appellant. De Raad betrekt daar nog bij dat appellant niet zozeer de bevindingen van psychiater Hassing bestrijdt als wel de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts - naar de opvatting van appellant ten onrechte - daarvan is afgeweken.

4.1.4. Bij rapport van 21 oktober 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar gemotiveerd waarom de door psychiater Hassing gesignaleerde concentratieproblemen van appellant in zijn geval niet tot beperkingen ten aanzien van dit aspect in de FML behoeven te leiden. Het is de Raad niet kunnen blijken dat bij de door psychiater Hassing gediagnosticeerde dysthyme stoornis op dit punt de beperkingen van appellant door de bezwaarverzekeringsarts zijn onderschat.

4.1.5. Het is de Raad niet ontgaan dat inmiddels de behandelend psychiater G. Nissink, zoals blijkt uit de in hoger beroep ingezonden brief van 14 januari 2011 van PsyQ, de diagnose depressie, herhaald, ernstig zonder psychotische kenmerken, heeft gesteld, maar deze psychiater heeft appellant voor het eerst gezien op 30 augustus 2010, zijnde meer dan twee jaar na de datum in geding, zodat daaraan voor dit geding geen beslissende betekenis kan worden toegekend. De Raad volgt derhalve het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat in het geval van appellant in voldoende mate rekening is gehouden met zijn psychische klachten.

4.1.6. Naar in het hiervoor overwogene ligt besloten volgt de Raad appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank alleen al op grond van de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts afweek van de door hem ingewonnen psychiatrische expertise gehouden was zelf een medisch deskundige op dit terrein met onderzoek te belasten.

4.2. De hoger beroepsgrond van appellant dat de rechtbank zich niet had mogen onthouden van een oordeel over de beroepsgrond dat ten onrechte geen bezwaararbeidskundige de arbeidskundige herbeoordeling had gedaan volgt de Raad niet. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank de medische grondslag niet voldoende gemotiveerd achtte en nader onderzoek naar met name de fysieke klachten van appellant aangewezen achtte, diende daarna opnieuw op het bezwaar van appellant te worden beslist. In dat kader moest opnieuw ook een arbeidskundige heroverweging plaatsvinden, zodat appellant bij beoordeling van deze beroepsgrond geen belang meer had.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

5.1. Ten aanzien van het beroep tegen besluit II overweegt de Raad als volgt.

5.2. Tegen het aan besluit II ten grondslag liggende rapport van de bezwaarverzekeringsarts Koek heeft appellant geen bedenkingen geuit. Ook overigens is de Raad van oordeel dat er geen aanwijzingen aan de gedingstukken vallen te ontlenen, die twijfel doen rijzen aan haar rapport. De Raad is dan ook van oordeel dat met dit rapport van de bezwaarverzekeringsarts in samenhang met het door de Raad in stand gelaten oordeel van de rechtbank over de medische oordeelsvorming met betrekking tot appellants psychische klachten, besluit II op een voldoende medische grondslag berust. Dit betekent dat het door de rechtbank gesignaleerde motiveringsgebrek is hersteld.

5.3. De Raad is voorts van oordeel dat besluit II van een toereikende arbeidskundige motivering is voorzien door de bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst. Deze is bij zijn rapport van 17 september 2010 op voor de Raad voldoende inzichtelijk wijze gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat de door de arbeidsdeskundige met inachtneming van appellants beperkingen aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.

6. Gezien de overwegingen 4.1.1 tot en met 5.3 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd, voor zover aangevochten, en zal het beroep tegen besluit II ongegrond worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer

NW