Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
10-3975 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3975 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 mei 2010, 09/924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Namens appellant is een aanvullend stuk ingebracht waarop het Uwv met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011, waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.A. Duijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 11 juli 2005 de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 8 maart 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 11 juli 2005 ingediende bezwaar bij besluit van 3 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 maart 2007, 06/3315, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2008, 07/2125, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en onder meer het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 12 december 2008 heeft het Uwv op 19 maart 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van appellant alsnog gegrond is verklaard, in zoverre dat zijn WAO-uitkering met ingang van 8 maart 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 19 maart 2009, hierna: het bestreden besluit, ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen en dat hij de geduide functies niet kan vervullen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 12 december 2008, 07/2125, waarin is geoordeeld dat de medische grondslag van het besluit op bezwaar van 3 juli 2006 niet berust op een deugdelijke motivering, heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossieronderzoek een aantal beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De expertise-rapporten van psychiaters M. Kuilman en M.J. van Weers van respectievelijk 1 januari 1997 en 23 januari 2006 zijn hierbij door de bezwaarverzekeringsarts meegewogen. In hoger beroep is niet meer in geschil dat bij appellant sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden. De ingenomen stelling dat op basis van de bevindingen van Kuilman en Van Weers wel een urenbeperking had moeten worden aangenomen, omdat beide psychiaters van mening zijn dat appellant een verhoogd uitvalsrisico loopt in het geval van werkhervatting, volgt de Raad niet.

Van Weers en Kuilman hebben zich immers niet uitgelaten over de vraag of er een urenbeperking geïndiceerd is en uit de door hen opgestelde rapporten kan niet worden afgeleid dat een beperking van de werktijd op medische gronden is aangewezen. In het in beroep ingebrachte rapport van bedrijfsarts F.A. Loogman van 27 september 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad terecht, geen aanleiding gezien om een urenbeperking aan te nemen. Dat een verzekeringsarts in het kader van een herbeoordeling, die heeft geleid tot een herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 15 augustus 2009, wel een urenbeperking heeft aangenomen, leidt niet tot het oordeel dat ook per de datum die thans in geding is een urenbeperking moet worden aangenomen, reeds omdat die herbeoordeling ziet op de gezondheidsituatie van appellant op een tijdstip ruim vijf jaar na de datum in geding.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor vindt de Raad terug in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 maart 2009, 16 maart 2010 en 3 november 2010. In de twee laatstvermelde rapporten is ingegaan op de in hoger beroep herhaalde stelling dat een aantal functies niet geschikt is wegens een overschrijding van de belastbaarheid op de aspecten reiken en het hand- en vingergebruik (knijp/grijpkracht) en genoegzaam uiteengezet dat appellant tot de verrichtingen in die functies in staat wordt geacht.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

KR