Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
10-4704 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4704 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 juli 2010, 09/1551 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.W.G.J. de Haas, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 december 2010 heeft appellante een rapport van 9 december 2010 van de arbeidskundige R.B. van Vliet ingezonden.

Het Uwv heeft hierop bij brief van 30 december 2010 gereageerd door inzending van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M.M. Prosée. Hierop is bij faxbericht van 17 januari 2011 door appellante gereageerd met inzending van een nader rapport van 13 januari 2011 van de arbeidsdeskundige Van Vliet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden ter zitting van de Raad op 2 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Haas, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft op 30 maart 2005 haar werkzaamheden van docente Frans wegens rugklachten gestaakt. Vanaf 16 mei 2005 heeft appellante, na al eerder perioden van arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten te hebben doorgemaakt, wederom klachten van depressieve aard ontwikkeld. Na aanvankelijke afwijzingen van haar verzoeken tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2008 aan appellante met ingang van 13 juni 2005 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat appellante met het Uwv contact had opgenomen over de mogelijkheden van re-integratie in het arbeidsproces heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid plaatsgevonden. Op basis van de door de verzekeringsarts in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegde beperkingen is door de arbeidsdeskundige de conclusie getrokken dat appellante ongeschikt is voor haar eigen werk van docente Frans, maar nog wel geschikt voor de werkzaamheden verbonden aan een aantal door haar geselecteerde functies. Met het daarmee door appellante te verwerven inkomen resteert een zodanig verlies aan verdiencapaciteit, dat appellante dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het Uwv daarop de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 december 2008 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na heroverweging van de medische en arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting, bij besluit van

25 maart 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit een toereikende medische grondslag heeft en dat de geschiktheid van de voor de arbeidsongeschiktheidsschatting gebruikte functies voldoende is toegelicht. Daarop is het bestreden besluit door de rechtbank in stand gelaten.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank te weinig acht heeft geslagen op het door haar in beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts H.M.Th. Offermans, verbonden aan Rheon Arbo- en SV-adviseurs B.V., en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij het oordeel van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv volgt. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de door haar ingezonden medische gegevens van haar behandelend specialist en van de verzekeringsarts Offermans een zodanig ander beeld geven van haar medische situatie dat een door de rechtbank te gelasten onderzoek door een medisch deskundige niet achterwege had mogen blijven. Ter zitting heeft appellante de Raad verzocht een dergelijk onderzoek te laten plaatsvinden. Ten slotte heeft appellante gewezen op het door haar in hoger beroep ingezonden rapport van 9 december 2010 van de arbeidsdeskundige Van Vliet en zijn aanvullend rapport van 13 januari 2011. Deze is daarin tot de conclusie gekomen dat de ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsschatting geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zijn.

3.2. Het Uwv heeft zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank. In reactie op de rapportage van de arbeidsdeskundige Van Vliet heeft de bezwaararbeidsdeskundige Prosée van het Uwv bij rapport van 29 december 2010 geconcludeerd dat daaruit geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen. Ter zitting heeft het Uwv na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige nog een gemotiveerde reactie gegeven op het nader rapport van de arbeidsdeskundige Van Vliet en aangevoerd dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante zou overschrijden.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren brengt vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep terzake heeft aangevoerd en wordt niet ondersteund door nieuwe gegevens van medische aard. Het oordeel van de rechtbank is naar behoren gemotiveerd en is, gelet op de aan de rechtbank ter beschikking staande medische gegevens, niet onbegrijpelijk. Hierin ligt al besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor een nader onderzoek door een medisch deskundige. Noch ook ziet de Raad reden voor de door appellante voorgestane medische urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman heeft in beroep bij rapport van 4 januari 2010 uiteengezet dat een medische urenbeperking in het verleden voor appellante noodzakelijk werd geacht vanwege een aanzienlijk ernstiger toestandsbeeld dan ten tijde in geding het geval was. De Raad stelt vast dat er geen nieuwe medische gegevens zijn die twijfel oproepen aan dit standpunt.

4.2. De door de arbeidsdeskundige Van Vliet geuite kritiek op de geschiktheid van de functies (overschrijding van de beperking op concentratie en te hoog handelingstempo) acht de Raad voldoende weerlegd door het commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige Prosée en hetgeen van de zijde van het Uwv ter zitting is aangevoerd, te weten dat het bij de geselecteerde functies gaat productiefuncties die praktisch uitvoerend van aard zijn en die worden gekarakteriseerd door overzichtelijke en routinematige taken die zo eenvoudig zijn dat appellante hierin geen noemenswaardige aandachtsproblemen zal ondervinden. Daarbij merkt de Raad nog op dat de arbeidsdeskundige Van Vliet ervan uitgaat dat het handelingstempo in de functies hoger is dan uit de zogeheten ‘resultaat functiebeoordelingen’ van die functies blijkt. Zelfs als moet worden aangenomen dat de productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043 met twee functies) een voor appellante te hoog handelingstempo kent en om die reden zou moeten vervallen, dan rust de schatting nog op drie Sbc-codes: 111172 (produktiemedewerker voedingsmiddelen industrie), 111180 (produktiemedewerker industrie) en 267050 (wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur), die blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst gevuld zijn met voldoende arbeidsplaatsen. Het eventueel vervallen van de productiemedewerker textiel leidt, naar te ontlenen valt aan het rapport van 23 maart 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Prosée, niet tot een voor de handhaafbaarheid van het bestreden besluit relevante wijziging van het verlies aan verdiencapaciteit.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

NW