Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
09-5230 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2009:BJ6467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om compensatie van het nadeel dat is ontstaan door anticumulatie van neveninkomsten en de FPU-plus-uitkering. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de bevoegdheid tot uitvoering van de FPU-plus-regeling niet bij de staatssecretaris maar bij het ABP berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/139
PJ 2012/48

Uitspraak

09/5230 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 augustus 2009, 08/828 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 17 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 2 december 2004 is appellant met toepassing van artikel 94a, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op zijn verzoek met ingang van 1 januari 2005 ontslag verleend uit zijn functie bij de Belastingdienst. Appellant is hierbij een FPU-arrangement toegekend als bedoeld in het Sociaal flankerend beleid voor de sector Rijk van 17 maart 2004 (hierna: FPU-plus-uitkering). Dit beleid voorzag in een aanvulling op de reguliere FPU-uitkering tot 70% van de berekeningsgrondslag.

Appellant was op dat moment in het genot van een non-activiteitswedde in de zin van artikel 16 van het ARAR in verband met zijn wethouderschap van de gemeente Meppel.

1.2. In de Staatscourant van 29 december 2004, nr. 252, is een wijziging bekend gemaakt van het Reglement Flexibel Pensioen en Uittreden over de basis- en aanvullende uitkering, die onder meer inhoudt de invoering van een anticumulatie-regeling voor de belanghebbende die na 31 december 2004 voor het eerst recht verkrijgt op een FPU-plus-uitkering. Deze anticumulatie-regeling strekt ertoe dat neveninkomsten op de uitkering in mindering worden gebracht voor zover deze tezamen met de FPU- en de FPU-plus-uitkering het (voormalige) ambtelijke inkomen te boven gaan.

1.3. Bij brief van 20 december 2007 heeft appellant de staatssecretaris het verzoek gedaan hem het nadeel te compenseren dat hij stelde te hebben geleden door voornoemde wijziging van de FPU-plus-regeling per 1 januari 2005. Hij zou dit nadeel niet hebben geleden als zijn ontslag al op 1 december 2004 zou zijn ingegaan. In dit verband acht appellant van belang dat vanwege de staatssecretaris zeer traag is gereageerd op de vragen die hij heeft gesteld over de inhoud van de FPU-plus-regeling en de gevolgen daarvan in zijn situatie zodat hij uiteindelijk pas eind november 2004 kwam tot indiening van een definitieve aanvraag om ontslag.

1.4. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant afgewezen. Bij het bestreden besluit van 1 september 2008 heeft de staatssecretaris het besluit van 4 februari 2008 na bezwaar van appellant gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft gesteld dat in 2004 tussen partijen is afgesproken dat de FPU-plus-regeling op appellant van toepassing zou zijn zoals die toen (in 2004) luidde. Appellant heeft deze door de staatssecretaris betwiste stelling evenwel niet van enige onderbouwing voorzien. Uit de gedingstukken blijkt daarentegen dat appellant vanwege de staatssecretaris steeds is voorgehouden dat zijn inkomsten als wethouder zouden worden gekort op zowel zijn FPU- als zijn FPU-plus-uitkering. Appellant heeft dit zelf in hoger beroep bevestigd. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat vanwege de staatssecretaris enige toezegging is gedaan dat neveninkomsten van appellant niet zouden worden gekort op zijn uitkering volgens de FPU-plus-regeling.

3.2. De Raad wijst er voorts op dat appellant er in april 2004 al vanwege de staatssecretaris op is gewezen dat het beter was zijn specifieke problematiek (wethouderschap) in relatie met de FPU-plus-regeling voor te leggen aan de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP), welke instantie belast is met de uitvoering van deze regeling. Naar het oordeel van de Raad kan dit standpunt zeker niet onjuist worden geacht. Niettemin heeft een medewerker van de staatssecretaris zich ook na april 2004 nog bezig gehouden met het zoeken van antwoorden op door appellant gestelde vragen en heeft dit vrij veel tijd in beslag genomen. De Raad kan hierin evenwel geen grond vinden voor het oordeel dat de staatssecretaris gunstig op het verzoek van appellant had moeten beslissen, nu het hier gaat om een onverplichte serviceverlening vanwege de staatssecretaris. Dit geldt temeer omdat (de medewerker van) de staatssecretaris er kennelijk niet van op de hoogte was dat per 1 januari 2005 een wijziging in de FPU-plus-regeling zou worden tot stand gebracht; sterker nog: bij de staatssecretaris, althans zijn ministerie, bestond - als onder 3.1 al aangegeven - kennelijk vóór december 2004 al de opvatting dat ook volgens de FPU-plus-regeling diende te worden geanticumuleerd.

3.3. Vervolgens overweegt de Raad dat appellant naar zijn zeggen bij de indiening van zijn definitieve ontslagaanvraag eind november 2004, 1 december 2004 als ontslagdatum in gedachten had. In overleg met een medewerker van de staatssecretaris is de ontslagdatum om praktische (uitvoeringstechnische) redenen echter bepaald op 1 januari 2005. Appellant is op geen enkele manier gedwongen tot het maken van een keuze voor deze datum. Achteraf beschouwd heeft deze keuze door de wijziging van de FPU-plus-regeling gevolgen die door geen van beide partijen waren voorzien en die door appellant in zijn geval onjuist worden geacht. Deze gevolgen behoefde de staatssecretaris in de gegeven omstandigheden echter niet voor zijn rekening te nemen. Dit spreekt temeer nu de regeling, zoals de staatssecretaris niet ten onrechte heeft aangevoerd, vóór de wijziging een onbedoeld voordeel voor de uitkeringsgerechtigden behelsde.

3.4. Gezien het vorenstaande acht de Raad geen grond aanwezig voor het oordeel dat de staatssecretaris bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot (handhaving van zijn) afwijzing van het verzoek van appellant om compensatie heeft kunnen besluiten.

3.5. Ten slotte heeft appellant nog aangevoerd dat zijn oud-collega B die ook per 1 januari 2005 ontslag is verleend, niet te maken heeft gekregen met een korting van zijn inkomsten als wethouder op zijn FPU-plus-uitkering. Wat hier ook van zij, dit beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds niet slagen omdat de bevoegdheid tot uitvoering van de FPU-plus-regeling niet bij de staatssecretaris maar bij het ABP berust.

3.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD