Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
09/383 WWB + 09/384 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. De Commissie heeft in strijd met artikel 7:13, lid 3, Awb gehoord. Instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/107
JB 2011/107 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
JWWB 2011/95
AB 2011/106

Uitspraak

09/383 WWB

09/384 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2008, 07/3262 en 07/3495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], beiden wonende te [woonplaats],

en

appellant

Datum uitspraak: 22 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene 1 heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, en namens betrokkene 2 heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend. Nadien heeft mr. B.J. Bloemendal, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., zich als gemachtigde van betrokkene 2 gesteld.

Appellant heeft twee brieven van 20 januari 2009 aan de Raad gezonden. Op verzoek van de Raad heeft mr. Van Ham bij brief van 8 oktober 2010 een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.F. Bakkenes-Minnaard, werkzaam bij de gemeente Veenendaal. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham en mr. Bloemendal.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene 1 heeft van 14 februari 2005 tot en met 4 december 2006 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen.

1.2. Naar aanleiding van de melding van de gewezen echtgenoot van betrokkene 1 dat betrokkenen vanaf november 2005 samenwonen heeft de Sociale Recherche Ede (hierna: sociale recherche) op verzoek van appellant een onderzoek ingesteld. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 27 april 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 16 april 2007 de bijstand van betrokkene 1 over de periode van 1 september 2005 tot en met 4 december 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.256,34 van haar terug te vorderen. Bij besluit van eveneens 16 april 2007 heeft appellant die kosten tot hetzelfde bedrag mede van betrokkene 2 teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene 1 gedurende de hiervoor vermelde periode, zonder daarvan aan appellant melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met betrokkene 2.

1.3. Bij twee afzonderlijke besluiten van 5 november 2007 heeft appellant de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 16 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - de beroepen van betrokkenen tegen de besluiten van 5 november 2007 gegrond verklaard, die besluiten wegens strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Algemene wet bestuurswet (Awb) vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van betrokkenen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op basis van het door de sociale recherche verrichte onderzoek niet kan worden geconcludeerd dat betrokkenen hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Appellant heeft bij brieven van 20 januari 2009 aan betrokkenen meegedeeld dat het horen van betrokkenen overeenkomstig de Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften heeft plaatsgevonden, maar de advisering niet. Op 23 december 2008 heeft de voltallige Commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: Commissie) adviezen uitgebracht naar aanleiding van de door betrokkenen tegen de besluiten van 16 april 2007 gemaakte bezwaren. Aangezien die adviezen niet afwijken van de eerdere door de onvoltallige Commissie uitgebrachte adviezen heeft het College de besluiten van 5 november 2007 gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht.

4.3. Betrokkenen stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende adressen. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval moet aannemelijk zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken een toereikende grondslag voor het standpunt dat betrokkenen op een zodanige wijze van hun woningen hebben gebruik gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken. De Raad hecht daarbij met name betekenis aan de verklaringen die betrokkene 1 op 4 april 2007 en betrokkene 2 op 2 april 2007 tegenover de sociale recherche hebben afgelegd en die door hen zijn ondertekend. Betrokkene 2 heeft verklaard dat hij sinds 2 april 2005 een relatie heeft met betrokkene 1, dat zij tijdens hun relatie beiden hun eigen woning hebben aangehouden, dat ze afwisselend in de woning van de een en dan weer in die van de ander woonden, dat het wisselen heel onregelmatig gebeurde en dat ze in principe altijd samen waren. Betrokkene 1 heeft verklaard dat zij ergens in mei 2005 een relatie met betrokkene 2 heeft gekregen en dat zij samen met haar kinderen vanaf het begin van deze relatie samen afwisselend in diens of haar woning verbleven, dat zij in het begin van hun relatie nog niet echt elke dag, maar wel vaak bij elkaar waren en dat zij in ieder geval vanaf september 2005 bijna altijd samen waren. De Raad acht verder van belang de verklaring die betrokkene op 25 maart 2007 in het kader van een aangifte van mishandeling jegens de politie heeft afgelegd. Zij verklaart onder meer dat zij en betrokkene 2 in 2005 een relatie zijn aangegaan, dat zij een regeling hadden getroffen waarbij zij een deel van de week in de woning van betrokkene 2 waren en het andere deel van de week in haar woning.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat er, gelet op de inhoud van de door betrokkenen tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, voor appellant geen aanleiding bestond om nader te onderzoeken waar betrokkene 1 verbleef als betrokkene 2 op zijn werk was en naar het verblijf van betrokkene 1 bij haar ouders. Naar aanleiding van het op de hoorzitting overgelegde schriftelijke relaas van betrokkene 1, waarin zij gedetailleerd aangeeft hoe vaak zij bij betrokkene 2 of haar ouders verbleef en betrokkene 2 en haar moeder bij haar, merkt de Raad op dat hij geen aanleiding ziet in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Dat deze verklaring onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven, hebben betrokkenen niet aannemelijk gemaakt. De Raad tekent daarbij aan dat betrokkene 1 haar verklaring na lezing op enkele onderdelen heeft bijgesteld, terwijl de verklaringen van betrokkenen in grote lijnen met elkaar overeenstemmen.

4.6. In het licht van hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen kent de Raad aan de verklaring van de ouders van betrokkene 1 van 15 september 2008 niet de betekenis toe die betrokkenen daaraan gehecht wensen te zien. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat in het proces-verbaal van 27 april 2004 is gerelateerd dat op 28 maart 2007 buurtonderzoeken zijn ingesteld in de omgeving van de woningen van betrokkenen, dat de buurtbewoners zich zeer terughoudend opstelden en er geen voor het onderzoek relevante informatie naar voren kwam. De omstandigheid dat betrokkene 1 op het wijzigingsformulier van 16 oktober 2006 heeft gemeld dat met ingang van 1 november 2006 een neef bij haar komt inwonen en de bevindingen van het huisbezoek van 13 november 2006 op het adres van betrokkene 1 sluiten evenmin uit dat betrokkenen ten tijde hier van belang op een zodanige wijze gebruik maakten van hun woningen dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.7. Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat betrokkenen hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal vervolgens de overige beroepsgronden van betrokkenen tegen de besluiten van 5 november 2007 beoordelen. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.8. Betrokkenen hebben aangevoerd dat appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 7:13 van de Awb, aangezien de Commissie die ten behoeve van de besluiten van 5 november 2007 betrokkenen heeft gehoord en die voor de behandeling van een zaak is samengesteld uit een voorzitter en twee leden, slechts uit een voorzitter en één lid bestond.

4.9.1. Ingevolge artikel 7:13, eerste lid, van de Awb is artikel 7:13 van de Awb van toepassing indien, zoals in dit geval, ten behoeve van het besluit op bezwaar een adviescommissie is ingesteld:

a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,

b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en

c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.

4.9.2. In artikel 7:13, derde lid, van de Awb is bepaald dat het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

4.10. Uit de verslagen van de hoorzittingen van de Commissie van 24 juli 2007 blijkt dat de voorzitter en één lid van de Commissie aanwezig waren en dat in strijd met artikel 7:13, derde lid, van de Awb het horen niet door een van hen, maar door beiden is geschied. Voorts heeft appellant terecht aangevoerd dat de aan de besluiten van 5 november 2007 ten grondslag gelegde adviezen zijn uitgebracht zonder dat het op grond van artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb voor de advisering vereiste derde lid van de Commissie bij de advisering betrokken is geweest. Dat de Commissie, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak en op verzoek van appellant, op 23 december 2008 alsnog voltallig heeft geadviseerd overeenkomstig haar advies van 24 juli 2007, kan er niet aan afdoen dat de besluiten van 5 november 2007 in strijd met artikel 7:13 van de Awb tot stand zijn gekomen.

4.11. Hetgeen onder 4.8 tot en met 4.10 is overwogen betekent dat de beroepen tegen de besluiten van 5 november 2007 gegrond moeten worden verklaard en die besluiten wegens strijd met artikel 7:13 van de Awb moeten worden vernietigd. De Raad zal bezien of er aanleiding bestaat te bepalen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand blijven. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.12. Onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen dat betrokkenen ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.13. Naar het oordeel van de Raad bestaat voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkenen in zorg voor elkaar hebben voorzien. Hij hecht in dit kader doorslaggevende betekenis aan de al eerder genoemde verklaringen van betrokkenen tegenover de sociale recherche. Hoewel daaruit blijkt dat betrokkenen ieder afzonderlijk de vaste lasten van hun eigen woning betaalden, geen gezamenlijke bank- of girorekeningen hadden en evenmin voor elkaars rekeningen waren gemachtigd, komen uit die verklaringen niettemin voldoende elementen van wederzijdse zorg naar voren. Zo heeft betrokkene 1 verklaard zij voor betrokkene 2 de boodschappen deed, dat zij regelmatig voor het gezin kookte, dat zij meestal samen aten, dat zij haar auto op naam van betrokkene 2 heeft gezet, dat betrokkene 2 de verzekeringspremie en motorrijtuigenbelasting voor die auto betaalde, dat betrokkene 2 mee heeft betaald toen zij een andere auto kocht, dat zij van elkaars auto gebruik maakten en dat zij in de zomer van 2005 en 2006 samen op vakantie zijn geweest. Betrokkene 2 heeft in grote lijnen hetzelfde verklaard.

4.14. Uit het voorgaande vloeit voort dat is voldaan aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB, zodat betrokkenen op grond van 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat betrokkene 1 gedurende de hier te beoordelen periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Betrokkene 1 heeft van die gezamenlijke huishouding geen melding gemaakt bij appellant. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending is aan haar ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Appellant was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van betrokkene 1 over de periode van 1 september 2005 tot en met 4 december 2006 in te trekken. In hetgeen betrokkene 1 heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.15. Het voorgaande betekent dat appellant op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de genoemde periode aan betrokkene 1 verleende bijstand van haar terug te vorderen en op grond van artikel 59, tweede lid, mede van betrokkene 2 terug te vorderen. In hetgeen betrokkenen hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van die bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken.

4.16. Gelet op hetgeen onder 4.12 tot en met 4.15 is overwogen ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten van 5 november 2007 in stand blijven.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven inzake proceskosten en griffierecht;

Verklaart de beroepen van betrokkenen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 5 november 2007 en bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) E. Heemsbergen.

IJ