Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
10/2112 WAO + 10/2113 REA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek bezwaarverzekeringsartsen. De Raad is van oordeel dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat hij wegens ziekte niet kan meewerken aan re-integratie, niet kan slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2112 WAO

10/2113 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2010, 08/2584 en 08/2582 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Caddeo. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut, werkzaam bij het UWV.

II. OVERWEGINGEN

1.1 Appellant ontvangt sedert 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sedertdien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2007 heeft het UWV de mate van appellants arbeidsongeschiktheid aan een herbeoordeling onderworpen. Appellant is in het kader van deze herbeoordeling onderzocht door psychiater N. van Loenen en psycholoog E.H. Ameling.

1.2. Psychiater Van Loenen en psycholoog Ameling zijn in hun rapport van 2 februari 2007 tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld of van een psychiatrische stoornis. Er is wel sprake van een diagnose op as-II: appellant heeft een gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale en narcistische kenmerken. Voorts vermeldt het rapport – na de weergave van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek – dat de Turkse versie van de MMPI-2 test werd afgenomen, een vragenlijst bedoeld om persoonlijkheidsstructuren en psychopathologie vast te stellen. Inzake deze test is het volgende vermeld: “De validiteitschalen van de test laten zien dat de test niet interpretabel en niet valide werd ingevuld. Het validiteitsprofiel past bij het bewust voorwenden en simuleren van emotionele problemen en klachten.”

1.3. Mede op grond van de rapportage van Van Loenen en Ameling heeft verzekeringsarts W.C. Otto op 13 juli 2007 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin in rubriek 2, sociaal functioneren, beperkingen zijn vastgelegd in verband met de persoonlijkheidsstoornis.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 30 juli 2008 heeft het UWV – onder handhaving van zijn besluit van 21 augustus 2007 – de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO berekend naar een percentage van 80 tot 100, verlaagd naar een percentage van 25 tot 35 met ingang van 22 oktober 2007.

1.5. Het besluit op bezwaar van 30 juli 2008 berust op het standpunt dat appellant op 22 oktober 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid - zoals vastgelegd in de FML van 13 juli 2007 - maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het betreft de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020). Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van deze drie functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het UWV in een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.6 Bij afzonderlijk besluit van 30 juli 2008 heeft het UWV de bezwaren van appellant tegen de re-integratievisie van 21 augustus 2007, welke bezwaren erop neerkomen dat re-integratie niet aan de orde is omdat appellant volledig arbeidsongeschikt is, ongegrond verklaard. De re-integratievisie houdt in dat het UWV op dit moment (nog) geen

re-integratieactiviteiten start omdat appellant niet aan zijn re-integratie wil meewerken omdat hij niet meer wil deelnemen aan het arbeidsproces en hij geen aanspraak maakt op een uitkering waaraan een sollicitatieplicht is verbonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellant tegen beide besluiten van 30 juli 2008 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij 20 jaar lang 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht en dat zijn arbeidsongeschiktheid niet ineens minder kan zijn. Voorts heeft hij aangegeven inzage te willen in de afgenomen MMPI-2 test. Het niet verstrekken van de test en de testresultaten maakt dat de aangevallen uitspraak in strijd is met het equality of arms-vereiste van artikel 6 EVRM, de WAO, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Appellant is op deze wijze niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te houden. Met betrekking tot het re-integratiebesluit heeft appellant aangevoerd dat re-integratie-instrumenten voor hem dienen te worden ingezet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. De Raad kan appellant niet volgen in de stelling dat het niet zo kan zijn dat appellant na 20 jaar een WAO-uitkering te hebben ontvangen, minder arbeidsongeschikt wordt geacht. In zijn algemeenheid gesteld gaat de stelling niet op omdat immers in de loop van de 20 jaar de toepasselijke wet- en regelgeving is gewijzigd en er voorts, zo er al geen wijzigingen zijn opgetreden in appellants medische toestand, wijzigingen kunnen zijn opgetreden in medische inzichten en in de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. In concreto heeft appellant de stelling niet nader onderbouwd. Daarbij merkt de Raad voorts nog op dat psychiater W.A. Nelis in een op verzoek van de toenmalige uitvoerder van de WAO opgemaakte rapportage van 21 maart 1988 evenals Van Loenen en Ameling in 2007 tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld.

4.2. Met betrekking tot verzoek om inzage in de MMPI-2 test(resultaten) op grond van het equality of arms-vereiste overweegt de Raad allereerst dat de Raad uit het rapport van 2 februari 2007 afleidt – anders dan appellant – dat de uitslag van de MMPI-2 test geen doorslaggevende betekenis heeft gehad voor de conclusies van de psychiater en de psycholoog. De uiteindelijke psychiatrisch-psychologische overwegingen en conclusies van het rapport van Van Loenen en Ameling zijn immers in feite gebaseerd op psychiatrisch en psychologisch onderzoek, waarvan de weergave ook het grootste deel van het rapport van 2 februari 2007 beslaat. In die overwegingen en conclusies komt (het resultaat van) de MMPI-2 test niet meer terug.

4.3. Voorts constateert de Raad dat ook het UWV niet heeft beschikt over de MMPI-2 test(resultaten). Zo bezien kan niet worden gesproken van een ongelijkheid in procespositie van partijen op dit punt. Verzekeringsarts W.C. Otto en bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek hebben, evenals appellant en zijn gemachtigde, slechts de beschikking gehad over het rapport van 2 februari 2007. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft besloten de testresultaten niet op te vragen omdat men psycholoog moet zijn om de gescoorde vragenlijsten te kunnen interpreteren.

4.4. De Raad neemt verder in aanmerking dat betrokkene in een procedure als hier aan de orde, zijn eigen mening over zijn medische beperkingen in de eerste plaats kan (trachten te) onderbouwen met een verklaring van een behandelend arts, waaraan doorgaans geen of weinig kosten zijn verbonden. Van behandelend psychiater Lisei, welke appellant naar zijn zeggen driemaal per jaar bezocht, is geen enkel stuk overgelegd. Dat appellant zijn gemachtigde geen toestemming heeft gegeven medische gegevens op te vragen bij de behandelaar, zoals de gemachtigde ter zitting heeft verklaard, komt voor appellants rekening en risico. Afgezien van deze mogelijkheid stond het appellant vrij de uitkomst van de op 2 februari 2007 afgenomen MMPI-2 test te betwisten met een nogmaals – door zijn behandelaar – afgenomen MMPI-2 test. Ter zitting kon niet worden aangegeven waarom appellant van dit hem in beginsel ten dienste staande middel geen gebruik heeft gemaakt.

4.5. Op grond van overwegingen 4.2 tot en met 4.4 in onderlinge samenhang bezien overweegt de Raad dat niet kan worden geoordeeld dat appellant in zijn verdediging is benadeeld door het feit dat hij geen inzage heeft gekregen in de MMPI-2 test(resultaten).

4.6. Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellant met de FML van 13 juli 2007, opgemaakt door de verzekeringsarts Otto, niet is overschat. Inhoudelijke gronden en argumenten zijn hiertegen van de zijde van appellant nauwelijks aangevoerd. De Raad is voorts van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellant op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de genoemde door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.

4.7. Met betrekking tot het re-ïntegratiebesluit overweegt de Raad, met de rechtbank, dat nu het besluit op bezwaar van 30 juli 2008 inzake de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, in rechte stand houdt, het UWV verplicht was een re-integratievisie neer te leggen in het besluit van 21 augustus 2007. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat hij wegens ziekte niet kan meewerken aan re-integratie, niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient op dit punt te worden bevestigd. Dat appellant inmiddels zijn standpunt heeft gewijzigd in die zin dat hij thans van oordeel is dat wel re-integratie-instrumenten dienen te worden ingezet, kan daar niet aan afdoen. Bij gewijzigde inzichten staat het appellant vrij het UWV te verzoeken het re-integratiebesluit op grond van artikel 30a, vijfde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bij te stellen.

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

TM