Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
10-3374 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn terecht als geschikt voor appellant aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3374 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2010, 09/1099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld en nadere gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011. Appellant noch zijn gemachtigde zijn daarbij - met kennisgeving vooraf - verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanwege psychische klachten op 19 juli 2006 uitgevallen voor zijn werk als spuiter en straler van machines bij een onderhoudsbedrijf te Dordrecht. In het kader van een aanvraag tot het ontvangen van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv onderzocht of appellant hiervoor in aanmerking zou kunnen komen.

1.2. De verzekeringsarts F.C. Swaan heeft daartoe in mei 2008 een onderzoek verricht. Hij heeft appellant op zijn spreekuur gezien en informatie van de internist F.E. de Jongh, de psycholoog C.S. Los en de ziektewetarts P. Os bij het onderzoek betrokken. Tevens heeft hij aanvullende informatie opgevraagd bij De Jongh en bij de behandelend psychologe Molenbeek. Vervolgens heeft Swaan vastgesteld dat appellant beperkingen heeft op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren die voortkomen uit depressieve klachten en deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 juni 2008. Hierna heeft de arbeidsdeskundige C. Bregman in een rapportage van 23 juni 2008, na functieduiding, het verlies aan verdienvermogen berekend en vastgesteld op 32,30%, hetgeen een arbeidsongeschiktheidsklasse oplevert van minder dan 35%. In een aanvullende rapportage heeft Bregman een toelichting gegeven op de signaleringen zoals deze zijn aangegeven na gebruikmaking van het claimbeoordelings- en borgingssysteem.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 16 juli 2008 aangezien appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.4. In verband met het bezwaar dat namens appellant tegen de bij 1.3 genoemde beslissing is aangevoerd heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer een onderzoek verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en aansluitend hierop een medisch onderzoek verricht. Tevens heeft De Brouwer aandacht besteed aan de in bezwaar ingebrachte brief van 26 november 2008 van de behandelend psychiater G. Mirri. Vervolgens is hij tot de conclusie gekomen dat de primaire verzekeringsarts tot een juist oordeel is gekomen omtrent de belastbaarheid van appellant en dat in de FML de mogelijkheden van appellant adequaat zijn weergegeven. De bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw heeft aangegeven dat de geduide functies meubelstoffeerder/woningstoffeerder (sbc-code 272030), produktiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en productiemedewerker metaal en elektro-industrie (sbc-code 111171) waarop de resterende verdiencapaciteit van appellant is gebaseerd, geen bijstelling behoeven. Zij heeft geconcludeerd dat er geen arbeidskundige argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel dat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 6 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat op grond van de heroverweging die heeft plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige het besluit van 25 juni 2008 wordt gehandhaafd.

2.1. Tijdens de zitting bij de rechtbank op 14 oktober 2009 heeft gemachtigde van appellant een brief van Mirri van 14 oktober 2009 overgelegd waarin deze rapporteert dat er bij appellant sprake is van een ernstige vitale depressieve stoornis. Hierop heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen op deze brief te reageren.

2.2. In een rapportage van 22 oktober 2009 concludeert de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep dat de diagnose depressieve stoornis reeds eerder in de procedure is vermeld en derhalve niet als een nieuw feit kan worden beschouwd. Hij geeft aan dat De Brouwer de diagnose in ieder geval reeds heeft meegenomen bij zijn heroverweging na het bezwaar van appellant. Omdat echter door de brief van Mirri van 14 oktober 2009 onduidelijkheid was ontstaan over het psychiatrisch toestandsbeeld óp de datum in geding heeft Van der Stoep op verzoek van de rechtbank contact opgenomen met Mirri. In zijn rapport van 25 februari 2010 heeft Van der Stoep vervolgens de conclusie verwoord dat Mirri appellant kennelijk niet heeft gezien vóór 1 september 2008 en geen beeld kan hebben gehad van de psychiatrische toestand op de datum in geding. De brief van Mirri van 14 oktober 2009 heeft Van der Stoep geen aanleiding gegeven het eerder ingenomen standpunt te herzien, namelijk dat appellant op 16 juli 2008 in staat was om passende arbeid te verrichten conform de FML van 2 juni 2008.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de overlegde brief van Mirri van 14 oktober 2009 en diens brief van 16 februari 2010 als reactie op een vraagstelling van het Uwv, niet kan worden afgeleid dat er op de datum in geding, zijnde 16 juli 2008, sprake was van ernstige psychische klachten bij appellant. De rechtbank heeft vervolgens de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist geacht.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat bij de vaststelling van beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met ernstige psychische klachten die bij hem reeds aanwezig waren op 16 juli 2008. Ter ondersteuning van het betoog wordt verwezen naar de rapportage van de psycholoog Los van 5 juli 2007 en van Mirri van

26 november 2008. Aangevoerd wordt verder dat het vervoer van en naar het werk voor appellant een probleem vormt nu hij vanwege concentratieproblemen geen auto kan rijden en reizen met het openbaar vervoer evenmin een optie is.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in hetgeen namens appellant naar voren is gebracht geen aanleiding het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat bij de beoordeling de informatie is betrokken van de behandelend sector en acht het oordeel van de rechtbank juist dat hieruit niet kan worden afgeleid dat er op 16 juli 2008 reeds sprake was van ernstige psychische klachten. Volgens de rapportage van de verzekeringsarts Swaan van 30 mei 2008 heeft deze vastgesteld dat appellant depressieve klachten heeft die het gevolg zijn van een conflict met zijn werkgever en is er geen sprake geweest van ernstige psychische klachten. Swaan heeft bij zijn beoordeling onder meer de informatie betrokken van de psycholoog Los van 5 juli 2007. De bezwaarverzekeringsarts De Brouwer heeft zijn oordeel gevormd na raadpleging van de relevante medische informatie en onderzoek van appellant zelf en heeft ook de brief van i-psy van 26 november 2008 bij zijn heroverweging meegenomen. Tenslotte heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in zijn rapportage van 25 februari 2010 nog een reactie gegeven op de brief van Mirri van 16 februari 2010 waarin deze heeft aangegeven dat de depressie waarin appellant verkeert sinds 1 september 2008 is verergerd. Van der Stoep handhaaft zijn bij 2.2 verwoorde standpunt.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als geschikt voor appellant zijn aangemerkt. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen voldoende zijn toegelicht. Voorts oordeelt de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer om naar een werkplek te reizen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM