Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
09-6458 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bindingspremie. Appellant is in de juiste categorie ingedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6458 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2009, 08/4978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G.J. van den Heuvel, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd).

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister van Veiligheid en Justitie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.1. Appellant is bij besluit van 12 november 2002 met ingang van 7 oktober 2002 in vaste dienst aangesteld als beveiliger in opleiding bij de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging en ingedeeld in salarisschaal 7 (van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie, Bbp). Bij besluit van 12 januari 2004 is appellant, in verband met het met goed gevolg afronden van de basisopleiding beveiliger en de praktijkstage, met ingang van 1 juni 2003 bevorderd naar schaal 8.

1.2. Bij besluit van 29 oktober 2007 is aan appellant in het tijdvak 7 oktober 2007 een uitkering om reden van werving of behoud toegekend ter grootte van € 3.000,- bruto. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 31 oktober 2008 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Partijen verschillen van opvatting over de vraag of appellant op grond van de op artikel 26 van het Bbp gebaseerde eind 2003 in werking getreden Regeling Uitkering werving en behoud beveiligers DKDB (Regeling) een uitkering van € 7.500,- dan wel van € 3.000,- toekomt.

3.1. De Regeling voorziet ten behoeve van beveiligers die op of na 1 januari 2003 in dienst zijn getreden na 5 jaar in een uitkering werving en behoud van € 7.500,- als deze medewerker gedurende die 5 jaren in actieve dienst de formele functie van beveiliger heeft uitgeoefend. Ten behoeve van beveiligers die per 1 januari 2003 reeds 5 jaar of langer in dienst zijn voorziet de Regeling in een bindingspremie van € 3.000,-. Ten behoeve van beveiligers die per 1 januari 2003 gedurende minder dan 5 jaar in dienst zijn is voorzien in toekenning van een bindingspremie van € 3.000,- bij ommekomst van een actief dienstverband als beveiliger van 5 jaar. De minister heeft appellant onder de derde categorie gebracht. Appellant meent dat hij pas per 1 juni 2003 als beveiliger is aangesteld en aldus recht heeft op de hoge bindingspremie.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht in hoger beroep als volgt.

4.1. Hij volgt de minister en de rechtbank in hun oordeel dat appellant per 7 oktober 2002 in dienst is getreden bij het Klpd, zoals ook is af te leiden uit het aanstellingsbesluit. Dat na afronding van de opleiding en praktijkstage een bevordering heeft plaatsgevonden betekent niet dat appellant toen opnieuw in dienst is getreden of aangesteld. Appellant was dus een “zittend medewerker” en viel niet onder de categorie waarvoor gezien de krapte op de arbeidsmarkt en de slechte wervingspositie een hogere premie in het vooruitzicht werd gesteld. Aan appellant kan worden toegegeven dat hij eerst sinds 1 juni 2003 daadwerkelijk de formele functie als beveiliger uitoefent, maar daaraan kan slechts de conclusie worden verbonden dat hij, nu hem de bindingspremie reeds per 7 oktober 2007 is toegekend, daardoor niet te kort is gedaan.

4.2. Voorzover appellant zijn beroep op toezeggingen heeft gehandhaafd verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen in rechtsoverweging 2.9 van de aangevallen uitspraak.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

HD