Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
10-597 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van eenmalige inhouding van 25% van bruto maandsalaris wegens plichtsverzuim, bestaande uit het zich niet rechtstreeks ziekmelden, het zich niet bij het management vervoegen, en het niet telefonisch bereikbaar zijn op die dag. Ziekte, bezoek aan huisarts en verwijzing naar specialist. Appellant is ruim een halve dag ongeoorloofd onbereikbaar geweest. De opgelegde sanctie is niet evenredig aan deze eenmalige onjuiste gedragingen. De minister had moeten volstaan met een berisping. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/597 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2009, 08/2553 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden zij verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2008, 08/1021 en 08/1022. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was sedert juli 2002 werkzaam als monteur werktuigbouw bij het marinebedrijf. Vanaf 2005 is sprake van ziekmeldingen wegens psychische klachten en re-integratiepogingen. In september 2007 is appellant weer tewerkgesteld in zijn eigen werk. Op 15 oktober 2007 heeft appellant zich ziekgemeld (wegens het overgeven van bloed), is hij opgeroepen voor een spoedconsult en bij de bedrijfsarts verschenen. Deze arts achtte appellant per direct geschikt voor passend werk en heeft appellant meegedeeld dat hij zich moest melden bij zijn leidinggevende. Dit heeft appellant niet gedaan en hij was die dag verder ook niet telefonisch bereikbaar voor zijn leidinggevende. Appellant heeft op 16 oktober 2007 zijn huisarts bezocht, die hem doorverwees naar een specialist en direct daarna heeft appellant contact opgenomen met de leidinggevende. Bij brief van 16 oktober 2007 is appellant het voornemen over te gaan tot strafontslag meegedeeld, dat hem bij besluit van 8 november 2007 daadwerkelijk is verleend.

2.2. Bij uitspraak van 22 mei 2008, genoemd in 2, heeft de rechtbank de handhaving van dat strafontslag vernietigd. De rechtbank achtte dit ontslag onevenredig aan het volgens haar in aanmerking te nemen plichtsverzuim. De rechtbank overwoog dat slechts de gedragingen rond 15 oktober 2007 voldoende aannemelijk waren en dat het verweten doorlopend gedrag vanaf mei 2005 niet was onderbouwd. De minister heeft hierin berust en ter uitvoering van deze uitspraak het besluit van 22 juli 2008 genomen (bestreden besluit). Daarin heeft de minister het primaire besluit tot strafontslag herroepen en appellant de straf opgelegd van eenmalige inhouding van 25% van zijn bruto maandsalaris van oktober 2007, met toepassing van artikel 100, eerste lid, onder e (oud), van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Het aan appellant thans nog verweten plichtsverzuim bestaat uit het zich niet rechtstreeks, maar via een tussenpersoon, ziekmelden bij het management op 15 oktober 2007 en voorts uit het feit dat appellant zich niet overeenkomstig de hem gegeven opdracht nog diezelfde dag bij het management heeft vervoegd, maar wegbleef en de rest van de dag telefonisch niet bereikbaar was. Appellant heeft dit gedrag niet ontkend en ook niet dat daaraan de kwalificatie plichtsverzuim moet worden gegeven. Hij acht de opgelegde straf onevenredig aan dat plichtsverzuim en is van opvatting dat hoogstens een berisping kan worden gegeven.

4.1. Met betrekking tot de ziekmelding komt uit de stukken naar voren dat appellant zich op 15 oktober 2007 om 7.15 uur heeft ziekgemeld bij een collega en om 8.15 uur nogmaals heeft gebeld met een andere collega. Appellants leidinggevende heeft hem om 8.45 uur teruggebeld met de mededeling dat een spoedconsult zou worden aangevraagd. Op dat moment was de ziekmelding dus bekend bij het management. Hoewel kan worden geconstateerd dat appellant zich - in strijd met de geldende afspraken - niet direct bij zijn leidinggevende heeft ziekgemeld, is die melding mede gelet op het vroege tijdstip waarop die is gedaan, wel bijtijds bij het management terecht gekomen en heeft men ook de nodige maatregelen (het afspreken van een spoedconsult) kunnen treffen. Dit plichts-verzuim is van beperkte aard en ernst.

4.2. Dat is anders ten aanzien van het zich niet melden bij de leidinggevende na afloop van het spoedconsult en het onbereikbaar blijven op 15 oktober 2007. Appellant heeft daarvoor geen andere verklaring gegeven dan dat hij zich ziek voelde en de bedrijfsarts en de leidinggevende had gemeld dat hij op 16 oktober 2007 zijn huisarts zou bezoeken. Het stond appellant niet vrij de opdracht zich te melden naast zich neer te leggen. Appellant heeft echter wel meteen na het afleggen van het bezoek aan zijn huisarts, de volgende ochtend, contact opgenomen met zijn leidinggevende. Toen is appellant meegedeeld dat het voornemen tot strafontslag al naar hem op weg was. De Raad stelt op grond van het vorenstaande vast dat appellant dus ruim een halve dag ongeoorloofd onbereikbaar is geweest. Zijn afwezigheid nadien moet worden teruggevoerd op het strafontslag, waarop de minister is teruggekomen.

4.3. De opgelegde sanctie acht de Raad niet evenredig aan deze eenmalige onjuiste gedragingen. Met appellant is de Raad van oordeel dat de minister had moeten volstaan met een berisping. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

4.4. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.081,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het besluit van 22 juli 2008;

Veroordeelt de minister is de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.081,-;

Bepaalt dat de minister het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

HD