Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
09-5805 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellant een individuele FPU “61 plus”/ bonus toe te kennen (met aftrek van 172 verlofdagen). Niet gezegd kan worden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de weigering appellant een individuele regeling / bonus (van de door hem gewenste omvang) toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5805 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 september 2009, 09/107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Werk-Leerbedrijf “Midden Twente” (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 24 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Heidemann, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door [L.], werkzaam bij de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Werk-Leerbedrijf “Midden Twente” (hierna swb).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1946, was werkzaam bij swb. In verband met zijn wens om gebruik te maken van de FPU-regeling hebben voorjaar 2008 gesprekken plaatsgevonden. Daarbij is afgesproken dat appellant - die op dat moment al een groot verlofsaldo had - die verlofuren niet hoefde op te maken, dat hij dit saldo zelfs nog mocht laten oplopen en dat deze uren bij de ingang van zijn FPU per 1 september 2008 zouden worden uitbetaald ten behoeve van premiestortingen voor Abp- extra- pensioen. Met deze afspraken is appellant bij besluit van 28 mei 2008 met ingang van 1 september 2008 eervol ontslag verleend.

1.2. Omdat het om bedrijfseconomische en sociale redenen wenselijk werd geacht dat meer FPU-gerechtigden gebruik zouden maken van de FPU-regeling, heeft het dagelijks bestuur besloten met in aanmerking komende medewerkers op individuele basis in gesprek te gaan en aan hen een compensatie van ongeveer 8 maandsalarissen aan te bieden ter compensatie van de door vervroegde uittreding mis te lopen pensioenopbouw. Het zou gaan om een individuele voorziening, tot uitdrukking komend in een eenmalig aanbod (deal or no deal), waarbij het leveren van een bepaalde tegenprestatie tot de mogelijk-heden zou behoren en die na bespreking met de belanghebbende door de directeur zou worden vastgesteld.

Hoewel met appellant reeds definitieve afspraken waren gemaakt, is besloten appellant alsnog de kans te geven te opteren voor dit gunstiger aanbod.

1.3. Op 12 juni 2008 is appellant mondeling een aanbod in die zin gedaan: appellant zou in plaats van de eerder overeengekomen regeling € 30.000,- kunnen ontvangen op voorwaarde dat appellant zijn aanspraak op de opgebouwde verlofuren zou laten vallen. Appellant heeft in dat gesprek te kennen gegeven graag op dat aanbod in te gaan.

1.4. Nog voordat dit voorstel was uitgewerkt in een door de directeur vastgestelde afkoopregeling heeft appellant, na een conflict met een leidinggevende eenzijdig besloten met ingang van 17 juni 2008 tot de ingang van zijn ontslag met verlof te gaan.

Bij brief van 24 juni 2008 is aan appellant meegedeeld dat zijn eenzijdig handelen onrechtmatig is omdat het tegen de gemaakte afspraken ingaat, dat zijn verlofopname echter uit menselijk oogpunt zal worden gerespecteerd en dat zijn resterende verlof-aanspraken daarom zijn herberekend. Meegedeeld is dat hem bij de laatste salarisbetaling in augustus 2008 nog 172 uren kunnen worden uitbetaald.

1.5. Naar aanleiding van de reactie van appellant heeft op 4 juli 2008 een gesprek plaatsgevonden. Dat heeft ertoe geleid dat bij brief van 8 juli 2008 aan appellant een bonus is aangeboden van € 23.000,-, zijnde de eerder aangeboden bonus van € 30.000,- met aftrek van de waarde van de verlofdagen tot 1 september 2008. Appellant is verzocht een exemplaar van de brief - uiterlijk 15 augustus 2008 - voor akkoord te tekenen en te retourneren.

1.6. In een aangetekend verzonden brief van 10 juli 2008, gevolgd door een brief van zijn gemachtigde van 25 juli 2008, heeft appellant dit aanbod onomwonden afgewezen. Hij heeft zich bereid verklaard de resterende 172 verlofuren in te leveren voor de aangeboden bonus van € 30.000,-.

1.7. Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur aangegeven te blijven bij het standpunt als verwoord in de brief van 8 juli 2008.

1.8. Bij brief van 26 augustus 2008 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om nakoming van hetgeen op 12 juni 2008 is overeengekomen en de bonus van € 30.000,- beschikbaar te stellen. Verzocht is deze brief tevens te beschouwen als voorlopig bezwaarschrift tegen de brief van 8 augustus 2008, indien en voor zover die brief als voor bezwaar vatbaar besluit zou moeten worden beschouwd.

1.9. Bij brief van 2 september 2008 heeft het dagelijks bestuur zijn zienswijze op de gebeurtenissen nogmaals uiteengezet en aangegeven dat het standpunt in de brief van 8 augustus 2008 niet wordt herzien, dat een individuele FPU “61 plus” regeling van de baan is en dat de afspraak omtrent uitbetalen van verlof inmiddels is geëffectueerd.

1.10. Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur, met overneming van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften, het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met de brief van 2 september 2008 geen rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen die er niet al waren door het schrijven van 8 juli 2008, tegen welk besluit appellant geen bezwaar heeft gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft daarom volgens de rechtbank het bezwaar tegen de brief van 2 september 2008, ondanks de daarin vermelde bezwaarclausule, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.1. In het beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat de brief van 2 september 2008 wel als een voor bezwaar vatbaar besluit moet worden aangemerkt. Appellant had immers gevraagd om toekenning van het volledige bedrag van de beëindigingvergoeding en dit is in de brieven van 8 augustus en 2 september 2008 afgewezen. Tegen die afwijzing heeft appellant rechtsbescherming. Appellant heeft er nog op gewezen dat hij op 26 augustus 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 8 augustus 2008.

3.2. Het dagelijks bestuur heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op 8 juli 2008 is aan appellant een aanbod gedaan. Een aanbod is niet een besluit gericht op rechtsgevolg. Het stond appellant immers vrij dat aanbod al dan niet te aanvaarden. Vaststaat dat appellant het hem op 8 juli 2008 gedane aanbod heeft afgewezen. Door de afwijzing van dit aanbod (deal or no deal) en zeker het niet aanvaarden van dat aanbod vóór 15 augustus 2008 was dit aanbod van de baan.

4.2. De Raad onderschrijft wel het standpunt van appellant dat zijn tegenvoorstel in de brieven van 10 juli 2008 en 25 juli 2008, door het dagelijks bestuur had dienen te worden opgevat als een aanvraag om hem de bonus toe te kennen met vermindering van (slechts) 172 verlofuren. Feitelijk is dat ook gebeurd en heeft het dagelijks bestuur in zijn brief van 8 augustus 2008 op dat verzoek afwijzend beslist. Naar het oordeel van de Raad houdt de brief van 8 augustus 2008 om die reden een besluit in. Tegen dat besluit heeft appellant in zijn brief van 26 augustus 2008 (voorlopig) bezwaar gemaakt, op welk bezwaar het dagelijks bestuur bij zijn besluit van 2 september 2008 afwijzend heeft beslist.

4.3. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat het dagelijks bestuur het bezwaarschrift van appellant van 12 september 2008 had dienen door te zenden naar de rechtbank als beroepschrift tegen het besluit op bezwaar van 2 september 2008, in plaats van daarop te beslissen.

De aangevallen uitspraak waarin is overwogen dat het aanbod van 8 juli 2008 heeft te gelden als een besluit gericht op rechtsgevolg, zodat het bezwaar van appellant tegen de brief van 2 september 2008 terecht niet-ontvankelijk is verklaard, kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

5. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen verdere behandeling behoeft zal de Raad het geschil niet terugverwijzen naar de rechtbank maar het zelf afdoen.

5.1. De Raad dient te beoordelen of het dagelijks bestuur bij zijn besluit van 2 september 2008 in redelijkheid heeft kunnen volharden in de weigering appellant een individuele FPU “61 plus”/ bonus toe te kennen (met aftrek van 172 verlofdagen).

5.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

5.2.1. De Raad stelt voorop dat geen sprake is van een algemeen verbindend voorschrift waaraan appellant een aanspraak op een bonus kan ontlenen. Voorts is uitgangspunt dat met appellant rond zijn FPU-ontslag reeds een definitieve individuele regeling was getroffen, die inhield dat appellant bij de ingang van zijn FPU een hoog verlofsaldo zou worden uitbetaald. Aan appellant was ook reeds FPU-ontslag verleend. Uit overwegingen van coulance heeft het dagelijks bestuur appellant toch nog de kans willen geven om te opteren voor de gunstiger bonus, echter met inlevering van zijn (hoge) verlofsaldo.

5.2.2. De vaststelling van een individuele regeling in die zin heeft appellant gefrustreerd door het grotendeels opnemen van dat in te leveren hoge verlofsaldo. Toen appellant zich niet had gehouden aan zijn deel van de afspraak was het dagelijks bestuur evenmin nog gehouden aan zijn deel van de mondelinge afspraken. Niettemin heeft het dagelijks bestuur een nieuw aanbod gedaan, nu met vermindering van de bonus met de reeds opgenomen en nog op te nemen verlofdagen. Dat aanbod is door appellant van de hand gewezen.

5.2.3. Gezien het feit dat sprake was van een eenmalig aanbod - deal or no deal - en het dagelijks bestuur appellant reeds twee maal tegemoet was gekomen, kan van het dagelijks bestuur niet worden gevergd appellant ten derden male tegemoet te komen. De Raad is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de weigering appellant een individuele regeling / bonus (van de door hem gewenste omvang) toe te kennen.

Het beroep tegen het besluit van 2 september 2008 dient daarom ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2008 ongegrond;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD